io7
„ .... Wat raaskal je nou?” ....
„Waarom laatje me met ’m uitgaan ’k wil niet meer 1
Koorts gloeide in haar oogen.
„Stil, stil” .. .., suste tante, ’n Groot zelfverwijt pijnigde haar .... Dwaasheid neef en nicht.... en dan .... Florent....
„ . . .. ,,’k Haat ’m ! ’k Haat ’m !” . . ..
„Kom hou je rustig.... je bent niet goed...”
„O God.... ’k Ben zoo ziek. . ..”
'Jf. s|ï
*
Een week lang bleef ze te bed met ’n vermagerd gezichtje, dof liggende oogen. Toen kwam de levenskracht terug. ?t Zonnetje scheen vroolijk door ’t raam, dartelde spelend in de kamer. Eenzaam liep ze den weg op, doelloos, duizelend van de frissche lucht. Op de Avenue Cortenbergh keek ze lang naar de stad, ’tzelfde warm-zonnige glinsterveld van den eersten keer, vol daken en kleuren. Kristalhelder leek de hemel. Hoog kromde de koepel van ’t paleis van justitie, ’n donker gat in de lucht.
Verder ging ze, naar de speelplaats der doofstommen. Een vroolijkheid kwam in Jt oog van den broeder.
„Waar ben je zoolang geweest, Trinette?”
„Ziek....”
Onderzoekend keek hij haar aan.
„Je ziet bleek.... Brussel doet je geen goed.. ..”
Hij vroeg haar hoe ze de stad had gevonden, praatte hartelijk, met ’n zacht fluweelen klank in z’n stem. Haar ernst maakte hem angstig. Nog eens vroeg hij....
.... „Je ziet bleek, kleine Loulou . . . .”
„Loulou?” ....
„Niets.... dwaasheid.”
’s Middags had Trinette ’n lang onderhoud met tante. Ze wou ’n betrekking gaan zoeken.... Nee, ze wilde niemand tot last zijn. Tante hoefde niet mee te gaan. Madame Colbert had ’n adres opgegeven.
1