ioó
drukking, als de klauw van ’n monster, de grijnzing van ’n heel donkeren zwarten nacht, de gaping van ’n afgrond, hol, vunzig, kil... .
Langzaam ontkleedde ze zich. Er viel iets op den grond .... de brief van Romanie. Bij ’t kaarslicht las ze nog eens, half-begrijpend, met ’n dronken speling der letters voor de moeie oogen .... Of ze overkwam.... als ze geld opgespaard had ? . .. . Ze verlangde zoo naar haar ....
In bed woelde ze onrustig.
Ze had de kaars niet uit durven blazen, bang voor den nacht, die door ’t zwarte vensteroog binnen plaste.
Een zwartgallige moedeloosheid kwam over haar, ’n misselijkheid om verder te leven.... Dood!.... Nee niet dood!... Goeje God nee!.. .. Hoe had ze nu kunnen sterven?.... Zoo!... . zoo!. .. . Badend in ’t zweet dacht ze aan vader.... Jezus! Jezus! D’r dampte rook in den hoek.... ze verborg zich diep onder de dekens.