102
„Ja! Ja! Ja!”, brult en schreeuwt men van alle kanten.
Met gebalde vuisten gaat Frans heen.
Trinette zit bleek als ’n doode.
„De honderd frank!.... ’t Geld!”, tiert men.
Bonnat wenkt den kleinen soldaat. Nog eenige oogen-blikken houdt het gejoel aan, tot de muziek zich weer hooren laat en de voorstelling voortgezet wordt.
Trinette heeft er genoeg van. Ze sluipt naar buiten zóo ontdaan dat ze Gonne vergeet te groeten. Achter de tent gluurt ze door een reet in ’n verlichte ruimte. Bonnat en Frans hebben ruzie. Bijna huilend blijft ze op en neer loopen, wel ’n half uur lang.
De lichten worden gedoofd.
Eindelijk komt hij buiten, bleek, ontdaan. Ze durft hem niet anspreken. Zwijgend gaan ze naast elkander. Dan meent ze ’m te moeten troosten:
„Frans 9
Hij zwijgt.
„Jij bent toch sterker.... ’n ongeluk. . . .”
Hij bijt zich op de lippen.
„Zeg nou wat Frans .. .
„Nom de Domme!.... als 1c ’m hier had. ..
„Wees niet zoo driftig. .. .”
„Nom de Domme!.... zoo’n aap .... *k breek ’m ...
„Je heb den ander toch overwonnen ... .”
„Bonnat houdt m’t geld af ’k ben m’n naam kwijt____
Nom de Domme!.... Nom de Domme!”....
’t Was afschuwelijk zijn woede aan te zien Hij ging
zich verdrinken!.... Ze hadden ’m uitgelachen Nooit
trad-ie meer op.... Tien van zulke jongens kon-ie wurgen .... ’t Publiek Canaille!. ... Honden. Bonnat ’n
schurk! .... D’r stond niks van boeten in ’t contract.... Morgen zou-ie Bonnat doodslaan....
„Frans, Frans!”
Smeekend klemde ze zich aan hem vast, bevend van medelijden.