niet wat men in dat bruine, vertrapte zand zal doen. Gonne zit nu met ’n schetsboek en ’n potlood.
Er gonst ’n groote ontevredenheid in ’t theater.
Ongeduldige uitroepingen worden gehoord.
Voeten schuifelen. Het wachten verveelt de menigte.
Buiten speelt de muziek door.
De groote trom dreunt.
Boven alles uit klinkt de stem van den directeur en ’t geraas dat de clown maakt door met de rotting op de platen te slaan.
„En avant! En avant!” ....
Op zij van de tent het jammerend gegil van ’n Russische slee, aan de andere zij ’t kermend lawaai van ’n draaimolen.
Door de deuren blijven menschen binnenstroomen.
Boven is geen plaats meer.
Een man met een Duitsch accent, schreeuwt dat men op moet schuiven . . . men zit veel te wijd uit.
Er komt ’n woordenwisseling, vuisten worden gebald, schorre stemmen brullen verward dooreen.
Eindelijk wordt het gas opgedraaid.
De kakelbonte menigte schiet uit ’t donker naar voren. Een plotselinge stilte. Men kijkt nieuwsgierig. De muzikanten kruipen op ’n krakende stellage tusschen de deuren. Bonnat verschijnt, houdt ’n kleine toespraak, verzoekt om gunst en recommandatie en de muziek valt in.
Drie kunstenmakers in gore vleeschachtige pakken, met 'n gordel van dof rood. Ze rollen gewichten aan en een gooien en opvangen volgt. Trinette knippert telkens met de oogleden. Hoe is ’t mogelijk!
Dan komt een van de rose juffrouwen met pap-armen, die ze buiten gezien heeft, ’t Mensch ziet er van dichtbij afstootend leelijk uit, dikke, lebberige vormen, fletse grijze oogen.
Toch gaat Trinnette op in bewondering. De vrouw doet mirakels met haar gebit, neemt gewichten op, eindigt met