analysecren. De trossen bananen bestarend, beet-ie zich op de lippen bij 't pogen Duczika’s doen, de vragen, de antwoorden, de kwestie, *t aanstuipen van gedachten, toen-ie naast 'r ging en over 'r stond, in de simpele leegte van z’n hoofd terug te vinden. Ze had dit gezegd — dat bedoeld — dat geinsinueerd. Maar de hoofdaanleiding tot z’n opvliegendheid, z’n toch feitelijk doldriftig van ’r weg-sjeezen, vernevelde in de aansluiping van aarzelingen en ’t niet-meer-zoo-precies-weten van hoe ’t aan was gekomen. Dat had-ie dikwijls, wanneer-ie fel van verwoedheid met Poldi of den altijd kalm blijvenden oom Ludwig krakeelde, ’t Bloed barstte ’m dan naar z’n kop, deed *m onhebbelijk, onredelijk worden — drong ’m later, soms op slag, *n hinderlijk gezeur van stekende verwijten op. Ze had zich — Christus, was-ie 'n bruut! — afgejakkerd, om de smerige blouses klaar te krijgen. Gisteravond kon ze de trapmachine niet eens in den steek laten, toen-ie, met ’n cigaret in z’n mond, binnen kwam vallen. En vanmorgen vroeg... Christus nog toe, had-ie weinig consideratie getoond!... En weer *t gedonderjaag met Laurie, die geen poot uitstak, die op haar manier van ’r rente leefde, die altijd vunze komedie-malligheden praktizeerde, om zich interessant te maken. * Je zou ’r 'n pak voor ’r broek geven, als ze *n kerel was!...
„Heeft u uw keus al gedaan?”, vroeg de vrouw uit de fruitzaak.
„Nee”, zei-ie opschrikkend en met stapte-ie Duczi’s weg uit.
Hij zou 't weer goed maken.
Voor 't kazerne-huis, waarin de „Zwischenmeister” Neumann z’n werkplaats had — Hochparterre, voor aan de straat — dren-telde-ie ongerust op en neer, net als bij de trap van den Untergrundbahn, bang dat ze terug was. Telkens liep-ie de morsige gang in, de namen, de beroepen van de drie dozijn gezinnen lezend, telkens weer naar de letters „E. Neumann, Schneidermeister, eine Treppe, Vorderhaus” kijkend. Toen hoorde-ie ’r. Ze scheen woorden met iemand te hebben, praatte driftig, sloeg ’n deur achter zich toe, holde de traptreden af, zag ’m, lachte, ’t Geld hield ze in de eene, de doos met de nieuwe stoffen in de andere hand.
„*k Wist dat je niet kwaad zou blijven — ’k had ’r ’n voorgevoel van”, zei ze met niet te bedwingen vreugde: „wat had je dan toch?”
„Dat kan ’k jou vragen”, zei-ie, in ’t ouwe spelletje van geen ongelijk te willen bekennen, „jij dee zoo raar...”
„Ik? Wat dan?”
92