Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



die Erich’s schelle stem in de deuropening zéker gehoord had, lachte — bang en met 'n hopeloos-ontredderd gevoel, liep ze over den stoeprand verder, niets voor zich uit ziend. Wat was 'r voorgevallen? Waarmee had ze 'm beleedigd, geprikkeld, gekrenkt? Wat had ze gezegd? Wat? Wat?... Ze móést iets gezegd hebben... Zoo had-ie nog nooit gedaan, zoo brusk, zoo ruw, zoo grof... Dat van Laurie? Dat Laurie weer uit 't raam wou springen?... Dat-ie met z’n stok tegen de doos...?... Of-ie 'r daarvoor was komen halen?... Maar dat had ze toch niet zóó bedoeld... Daar had ze niet eens bij gedacht... Dat... Dat... Op van plotselinge moeheid — God, was dat afschuwlijk: kwestie om niets, niéts! — wreef ze 'r zakdoekje over 'r transpireerend gezicht, stond even stil, keek of ze ’m nog aan de overzij zag, en stapte inert, met lust 't uit te snikken, over 't heete trottoir, de zijstraat in.

„Ziezoo — dat’s uit!”, redeneerde Erich, onstuimig den stok op en neer zwiepend: ,/k verdraai 't! 'k Dank 'r voor! 'k Ben weken kompleet imbeciel geweest! Dat lacht en dat speelt met je! Dat houdt zich onnoozel! Nee! Merci! Merci en nog eens merci! Als ze zoo stomp is, om niemendal te merken, moet ze iemand anders zoeken! Uit! Afgeloopen! Kom ’k ook over heen! Wat weerga! Wat deksel!”

Zonderling-opgewonden patste-ie den rotting tegen den stoeprand — bol-van-tred of-ie geen tijd te verliezen had, botste-ie tegen de voorbijgangers op. Dan, zonder overgang, bleef-ie voor 'n vitrine staan, zocht in de glimming van ’t glas 't overzijtrottoir af. Net als-ie gedacht had. Ze trok *r zich geen snars van aan. Rustig, beestig-kalm, liep ze met de doos onder de zonnekappen der winkels. Ze was geen vrouw, om op wien ook verliefd te raken. Vooruit maar! Doen of 'r niks gebeurd was. En knap als-ie weer bij ze op visite kwam!

Drie, vier huizen schoof-ie zot-fluitend langs, bedaarder, inge-houdener. Toen bekeek-ie n uitstalling van fruit — perziken, peren, pruimen, meloenen, waarvan-ie amper wat zag. Nu z'n plotse drift — hij was zoo, kort-aangebonden, onberekenbaar-warmloopend, snel van besluit — zakte, en-ie zich ’r omkringde, verwijtende oogen herinnerde — de groote, starende, bruine oogen — en fr zachtzinnig: ,/k Begrijp je niet, Erich...!”, trachtte-ie ’t wrokkig gevoel, dat ’m als in koorts bezeten had, met tuimel van over mekander heentollende overweginkjes te

91

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.