Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



sensatie van‘lachende, glimlachende, onpeilbare leegheid, plaats.

Maar van al dat groot-vrouwelijk heilige zag hij niets, ’r Haast onverschillig-klinkende stem met de hatelijke aldaags-woorden: ,/k kon toch niet ruiken, dat je op me zou wachten", irriteerde ’m. Daar had-ie voor staan hunkeren en popelen bij de trap van den llntergrund. Daar had-ie met nerveuze gretigheid de filister-snuiten, de kaffer-gezichten, die naar boven kwamen, ééuwige minuten voor gesorteerd en met stijgende teleurstelling ver-wenscht. Daar had-ie den beroerden Semmy Lubinsky voor aangeblaft. Daar had-ie den kerel, die 'm in z’n handen had, voor gebruskeerd — enkel om niet te laat te komen — enkel om ’t bleeke Madonna-kopje niet te ontloopen. Daar had-ie bij gekreund van ingehouden woede, omdat-ie tóch te laat meende te zijn. Daar had-ie den heelen nacht voor gewikt, geweifeld, ge~ piekerd, om de juiste, niet te veel en niet te weinig betoogende woorden voor te vinden. En daar had ze weer den ouwen, ver-vloekt-koelen glimlach—daar zei ze weer zoo’n typisch-lamlendig ding — of ze niemendal begreep — of ze geen duit temperament bezat!

„Zoo", zei-ie, ineens stug, schel, bijna vijandig: „kon je *t niet ruiken?"

„Nee, lieve jongen", sprak ze, nauwlijks verwonderd.

En ze liepen zwijgend, links, rechts, in egalen stap, zij met de doos, hij met den wandelstok, beiden slank, beiden jong — zij, kamerbleek — hij, fleurig, met door niets te molesteeren, in gezondheid purprende wangen.

De zon blakerde *t asfalt, dat, pas besproeid, vlamde en dampte en blonk, en op z'n glimmenden bast vrachtkarren en doffe strepen lijnende auto's droeg, 'r Waren in ’t licht spartlend-stralende, zilver-rakettende, vuur-gulpende hoekvensters — 'r waren bijkans verdorde, in de warmte verschrompelende, uit roestige roosters opspakende speelgoed-sparren — ’r waren vertroebelde glansgaten bij de rails, waar 't sproeiwater te hoop riggelde — 'r was gevonk en hijgend gegloei van sintels op 't koper der étalagekasten.

„Wat ben je stil! Hindert je iets?", vroeg zij ’t eerst — om niet langer stommetje te spelen.

„Ik? — Jij!", antwoordde-ie kort — of ze ruzie hadden.

„Dat verbeel je je, Erich," glimlachte ze: „ik ben nooit vreeselijk druk... Misschien is 't de warmte, misschien ben

»1    tt

k moe.

88

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.