steenen trappen naar 't Plein, en zei 'n paar maal idioot: „hum!", wel was-ie vlak op ’r hielen, toen ze de kaartjes-contröle passeerde — maar boven — verrassing, die al bijna geen verrassing meer was, omdat ze 't voorvoeld had, en ie ’t de laatste drie keer precies zoo gedaan had, stond Erich. Gisteravond, langs ’r neus weg, zonder bedoeling, had ze gezegd dat ze om vier uur ging afleveren — had-ie natuurlijk begrepen...
„Dag Duczi”, lachte-ie 'r toe — en de meneer snee uit: ,/k had zoon heel-klein, gedecideerd vermoeden../*
„Ik ook”, lachte ze, even opgewekt, maar de kleine hand, die de doos wou grijpen, weerde ze af: „...nee, toe, Erich — 't staat zoo mal voor de menschen!”
„Voor wélke menschen?”, vroeg-ie, frisch-poenig rondkijkend, en toen-ie daarbij den meneer met den snor en de leverkleurige handschoenen zag, zei-ie in denzelfden, schellen, zekeren toon: „mot die vent wat van óns?”
„Hoe weet ik dat?”, praatte ze monter, „kan 'k gedachten lezen?”
„Je ben minstens twee treinen later dan Maandag”, rekende-ie 'r voor: ,/k heb n kwartier in de hette staan blauwbekken!” ,/k Kon toch niet ruiken, dat je op me zou wachten”, loog ze, zichzelf tegensprekend — met 'r als vlinders in de zon rond-wuftende gedachten mateloos-ver boven de moeilijke dracht van *r woorden uit —• was dat zalig, bedrukkend-van-teederheid, liefheerlijk van 'm, dat-ie 'r was, wéér was, dat-ie naast 'r liep, naast *r in den laaienden glans van den dag, dat ze z'n lenigen stap en ’t getip van z'n stok hoorde, dat de twee schaduwen met mekaar versmolten, zonderling-grappig, om hardop te lachen zoo ontzettend-leuk bij de doodkiste-schaduw van de kartonnen doos...
Vandaag was 't de vierde maal, dat-ie 't dee — Maandag — Vrijdag — Maandag — Vrijdag — je kon je 'r niet in vergissen — *t niet vergeten — r geen verkeerde uitlegging an geven... Ze glimlachte. Ze meende dat ze nog sprak en glimlachte. Ze voelde den adem tegen r lippen en glimlachte. Ze zag de kartlende spinwebjes tusschen de steenbrokjes van 't trottoir en glimlachte. Ze droeg de doos aan 't koord, dat *r pijn dee en glimlachte.
*t Heele getob over Laurie, dat 'r in den Untergrund dwars had gezeten, dat 'r slap-smalletjes had laten murmureeren, was ze kwijt, 'r Was voor niets anders dan voor 'n tintelend-zoete
87