meister” Neumann, verdorde gluper, met onvaste broei-oogen, die zelf geen veroveringen bedoelde, maar 'r hardnekkig adviezen gaf —• welke adressen ie wist, met wat voor prima-prima-lui ie r in connectie kon brengen — hoe-ie relaties met ’n heer had, die op geen duizend Mark zag — ze snapte wien-ie bedoelde — Krüger — Krüger! — verkikkerd was-ie op 'r — gek was-ie met 'r — geen gelegenheid, om te informeeren, liet-ie voorbijgaan...
De hand onder de kleine kin, blij dat ze zat, blij dat ze 'r uit was, blij met de variatie van 't rijden in den „Untergrund”, keek Duczika door 't glimmend gewiegel der ruit met 't dobbrend weerkaatsen van lijven, hoofden en hoeden, ’t goudplassen van in rythmischen cadans drijvende lampen, 't droomrig schommelen van paneelen, deuren en bont-klittende reklamebiljetten, naar de grauw-gecementeerde wanden van den ondergrondschen spoorweg, die door de snelheid der vaart stil leken te staan. Als de wagen niet geschokt en gedreund had, zou je je hebben kunnen verbeelden op dezelfde plek te blijven. Maar bij de stations begon 't voor je oogen te rumoeren, golfden de ijzeren binten op je toe, floepte n rood of n groen of n wit licht, als n knetter-streep aan je voorbij, trillend-zigzaggend en weer door *t gewarrel van *t cement opgeslokt — en als je dan half-verblind, half-doezelig naar de inkooptasch van je overbuurvrouw staarde, blin-kelde 't blauw-groene, kil-verwezene daglicht al aan alle kanten door de goud-druipende ruiten binnen.
„Neem me niet kwalijk, als 'k stoor”, zei plots de vrijpostige, naast 'r, en de scheef-gebonkte kartonnen doos hield-ie met z'n gehandschoende hand overend: „weet u waar de Alte-Jacob-strasse is?”
„Nee”, antwoordde Duczika, de doos naar zich toehalend — ze kende *t soort manieren —: ,/k ben hier zelf vreemd!”
Ze kletste om 'r af te zijn.
„Jammer — ik ook”, hield hij aan, nu ze haast alleen zaten: „is u van buiten?”
„Weet 'k niet”, zei ze stug, en opnieuw, verveeld, nijdigjes — zou zij 'r an denken n man aan te spreken? — verzat ze verder naar den hoek, en keek naar den rug van den wagenvoerder achter de glazen deur.
't Volgende station moest ze uitstappen. Als-ie 't 'r nog langer lastig maakte, de kwast met z’n stijf-gebranden snor, zou ze 'm den wind van voren geven.
Dat hoefde gelukkig niet. Wel schuifelde-ie dicht bij 'r op de
86