sprong! — wat zou je dan 'n afschuwelijke, nooit meer kwijt te raken zelfverwijt met je ronddragen, dat je ’t niet geloofd had, dat je 'r in zoo n abnormale geëxalteerdheid af had gesnauwd, 'r an 'r lot over gelaten... Je zou zeggen — nee, dat zou je niet zéggen — je was ’r van overtuigd, dat Laurie ergere aanvallen kreeg. Ze kon niet tegen hoog wonen. Ze dorst niet op 't balkon staan, ’s Nachts sliep ze bij open ramen niet in. Was dat akelig. Was dat naar. Was dat om bij te huilen, dat je je moeder — wat *r ook voor was gevallen:, je móéder bleef ze! — ’t plezier van n „Hochparterretje" niet kon gunnen, omdat ’t telkens verhuizen je je nek brak! Nee, voorloopig was 'r geen denken an — en dan; als Laurie 'n beetje matig leefde, zich niet zoo an drank en sigaretten te buiten ging, als dien avond met Erich en z’n vriend, dee ze zoo niet, had je dién last tenminste niet.
Schrikkend schoof ze *n eindje verder de bank op. ’t Vervelend sujet over 'r, dien ze smakelijk zou uitgelachen hebben — als ze met Betty, die dat héérlijk kon, ’t afpoeieren van mannen, die zich aan je opdrongen — als ze met Betty, die voor niemand uit den weg ging, samen was geweest — ’t brutaal, arrogant heertje, had bij 'n stopplaats, naast r z’n snorgedraai en z’n driest glimlachen hervat en z’n knie raakte de hare. Kalm, met 'n voorbeeldig-beleedigende kalmte, verzette ze 't karton naar zijn kant, draaide 'm r rug met ’t uitgesneden halsje toe. Walgelijk, dat ze je nergens met rust lieten, dat je je soms als 'n gejaagd dier voelde, dat de meeste heeren— heeren, hahaha! — zoo weinig respect voor 'n vrouw toonden! Als je Erich uitzonderde, waren ze allemaal en overal ’t zelfde. De huisheer, die juist bij haar zélf de huur ophaalde en dan ’t oogenblik scheen te beloeren — hij woonde Parterre, voor — dat Laurie met Lotte naar de dansles was, had ’r al tweemaal ft aanbod gedaan de quitantie zonder betaling achter te laten, en dat met ’n insinu-eerende oogen, waarbij je — of je wou of niet — n kleur tot achter je ooren kreeg — en de volgende week zag je ’m weer — terwijl 't geld 'r niet was... de huisheer leek als twee druppelen water op den getrouwden vischhandelaar van de overzij-étage, die niet van de ramen weg was te slaan, als z’n vrouw met ’t kind wandelde, die altijd ’n ouwen tooneelkijker in ’n oud foudraal bij de hand had, en ’r de platste, naaktste voorstellen, in woorden die je niet zoo hoefde uit te leggen, dee, als-ie ’r in de „entree” telkens-weer toevallig tegen ’t lijf liep. De huisheer leek op den vischhandelaar — de vischhandelaar op den „Zwischen-
85