„Nou, nee!... Dacht je dat-ie 't mijn?... As ze bij je kommen, kruipen ze — en as ze motten dokken — ’k leef me van wind, wat? — schreeuwen ze of ze mishandeld worden!... Die kwajongen krijg 'k! We wachten samen tot z’n oom sterft — hij en ik...”
„O zoo! Voorschot op n erfenis?”
„Of je 't raait!...”
„Jongen, is dat niet geriskeerd?”
Semmy Lubinsky schudde glimlachend 't hoofd.
„Ik ga niet over nachtijs”, zei-ie, stilstaand, om de slecht-trekkende Noblesse nog eens op te steken: „...ken me niks gebeuren... As z'n oom uitstapt, zijn de accepten zoo goed as de Bank... Maar vóór dien tijd spreek 'k met 't kereltje! Ken je mijn overlaten!”
De portier van 't restaurant tikte aan en even later bestelde Felix Krüger 'n dozijn Royal Natives en ’n portie Malos-sol-Beluga-Kaviar.
IV.
Met de kartonnen doos naast 'r knieën, zat Duczika in den „llntergrund”, smalletjes, gebogen.
De dag had zich ellendig ingezet. Laurie was radeloos, redeloos onuitstaanbaar geweest, niet te temmen van humeur, ruzie over elke kleinigheid zóékend, grof en onhandelbaar, en met zulke huilerige besluipingen van zelfmoord, als ze in geen lange maanden getoond had.
't Werd verontrustend.
Vandaag was 't niet heelemaal dreigen, niet enkel doorzichtige bangmakerij en nog minder pure anstellerij. Laat opgestaan, na ’r „kopjes thee” op bed te hebben gedronken, hoofdpijnachtig, vermoeid, had ze zich over n kleine nonchalance, n bagatel, waar 'n evenwichtig mensch om gelachen zou hebben, zoo onstuimig opgewonden, dat ze ’r gebalde vuist niet meer ontsluiten kon.
„God! God! Kijken jullie me hand is!”, had ze gelamenteerd en snikkerig geklaagd: „zóó doen jullie me de dampen an, jullie twee, jullie twee miserabele egoïsten!”
Lotte, bleek, met pijn in den rug van ’t eerst ’n half uur in ’r onderbroek dansen, van 't toen uren gebogen zitten over de
83