hadden, als Felix, de joviale Felix, die meestal in de restaurants ’t heele clubje vrijhield, 't ouwe, onvermoeibare stokpaardje met zweepslagen en spoor-trappen beree. In de latere jaren was z’n omzet en z’n kapitaal verdubbeld. Zelf ging-ie ieder seizoen met z’n vertegenwoordigers naar Parijs% minder om de keus der tee-keningen te controleer en dan om ’t verzetje. Van ’t Fransch verstond en sprak-ie geen woord. Was niet noodig. Verliefde oogen en geld waren internationaal. Ze begrepen je, op slag. Bankpapiertjes en goud waren de „télégraphié zonder draad van de liefde!” Eens had-ie zoo’n Française mee naar Berlijn genomen, veertien dagen met 'r gefuifd en ’r, toen ze de grap zoo ver dreef, om bij ’m te willen blijven, en niet goedschiks de woning uit wou, als „lästige Ausländerin” door de politie over de grenzen laten zetten. Van Parijs bracht-ie de „neue Ideeën” voor 't modeseizoen in Berlijn, dat enkel Franschen chic en Fran-sehen smaak wou, mee. En als 'n spin, midden in ’t web, spon-ie die „neue Ideeën” op z’n kantoor verder uit, en de nu al duizenden arbeidsters, die in ’t Oosten en 't Noorden voor ’m werkten, hadden ’r geen benul van, dat ’t welgedaan heertje, met de nauw-lijks door ’t vest ompantserde buik, de grijze stekelharen, den rullen, zwarten (geverfden) snor en ’t bol-bleek gelaat, dat de rust-van-veel-geld had, zoo direct en veelzijdig met hun bestaan had te maken. In bijna alle betere restaurants was-ie bekend. Hij at de duurste zaken, at onmatig veel, om z’n lichaam „gezond” te houden, dronk weinig, maar de voortreffelijkste merken, gaf ruime fooien, reed in ’n eigen voiturette, had niet een vàste maitresse — aan alle pseudo-huwelijken had-ie ’n broertje dood! — en was enkel bij z’n concurrenten minder getapt, omdat-ie de reputatie had „Schmu” van anderen door z’n reizigers te laten opkoopen.
„Klaar?”, vroeg-ie den kleinen eenoog. Hij hield van Semmy Lubinsky. Hij hield van ’t Breslauer joodje, dat vierde klasse naar Berlijn was gekomen, en ’r zich zoo doorheen had geslagen, dat-ie ’r eindelijk, na zorgen, tegenspoed en misère, voor goed bovenop scheen. Hij hield van den leepen kameraad, die Berlijn als geen tweede, in alle lagen, kende. Hij hield van den taaien, mismaakten worstelaar, wiens eene oog ’t in de struggle-voor-zaken af had geleid. Hij hield van den vertrouwde-in-vrouwen-aangelegenheden. Deugd bracht soms menschen saam. Ondeugd hechtte ze sterker, langer, intiemer. Deugd was ’n maatschap-pelijke-extérieure band. Ondeugd ’n band-voor-’t-leven. Als je
6 81