Duczika liep met Mayer Cohn ’t magazijntje door, terwijl de naaisters koffie slobberden. Ze viel met 'r neus in de boter, omdat een van de meisjes in de eerste maanden — ze kon wel begrijpen waarom — ongelukje gehad! — in de eerste maanden niet terug kon komen — ze was welkom, als ze tenminste hier op 't atelier wou werken... Blouses, zooals toen, blouses om thuis klaar te maken, had-ie op ’t oogenblik niet. Ze nam ’t aan, vroeg of ze even mocht uitrusten — ze zag wit van moeheid na de ongewone wandeling — kreeg van Regina Cohn, die bij al de meisjes om 'r hartelijkheid getapt was, 'n van vijf-Pfennig-bouil-lonwürfel getrokken kop „Kraftbrühe” met 'n broodje en bewonderde de nieuwe rolschaatsen van Heinie en Elfriede, die met kleuren als boeien *t kantoor instommelden — en beloofde met 'n gevoel van opluchting uiterlijk Donderdag present te zijn als 'r verhuizing achter den rug was. Opgewekter—heele dagen alleen op 'n kamer zou ze 't niet meer uithouden — wandelde ze naar huis terug. En dicht bij de entree was 'riets liefs. Grete Ginzel, die inkoopen was wezen doen, had ’r oudste meisje en 't kwakkelend jongentje kousen en schoenen uitgetrokken, 'n Auto-sproeiwagen was langs de stoepranden gereden. De straat dreef en naar 't rooster van 't riool stroomde ’t water met ’n smijdig vaartje. Papieren, vuil en gedroogde paardevijgen zogen mee in 't gat, en de kraaiende kinderen, de broekspijpjes opsjorrend, hadden 'n machtige leut in 't pootje-baden bij 't tjokkel-ritselend rooster. Dicht bij de „Stehbierhalle” draaide de sproeiwagen en kwam nog ’ns terug. De stralen spoten in bogen op, dikten *t greppeltje aan en de kindervoetjes plasten ’r door heen, dat ’t tot op 't trottoir spette.
„Laat de banden van je broek niet zoo in 't water sleepen, Marietje!”, schreeuwde Grete: „en hou je broertje vast... En niet zoo diep 'r in!... Mot je verdrinken?... Heb-ie leeren zwemmen?... Hahaha!”
Met de handen op de heupen, breeduit van lol, keek ze toe, bond de rokken van ’t meisje hooger op, en vertelde van de pret, die ze den vorigen avond in 'n Kientop hadden gehad. Ze had met Fritz 'n drama gezien, waarbij ze allebei hadden zitten huilen — 'n wonder wat ze uitvonden — prachtig — je hoefde *r niet voor na de komedie te gaan...
„Nou Marietje, nou is 't genoeg! Vooruit Wimpie!”, riep ze: d'r is geen water meer! As je nog langer blijft morsen worden je voeten weer smerig!”
307