Gezamenlijk liepen ze de trap op; de kinderen vooraan. Maar net toen ze den sleutel in 't slot stak, gebeurde 'r iets ontzettends. Drie mannen, die achter ze aan kwamen, drongen tegelijk met 'r, en zonder *n woord te spreken, de kamer binnen, waarin de barbier bezig was ’n pruik op te makken. Voor-ie *t: ding op de werktafel gelegd had, in ’n verbijsterende stilte, enkel door ’t drenzen van de zuigeling in den kinderwagen gestoord, had de eene man 'm bij z’n nek vast, greep de tweede ’m bij 'n pols, posteerde de derde zich in de deuropening.
Met n gil, die door 't trappenhuis snerpte, liet Grete Ginzel 'r inkooptasch vallen, berukte ze de schouders van den man, die 'r den weg versperde.
„Ik waarschuw je, vrouw!”, zei deze, r lomp terugduwend: „begin geen grapjes — we zijn van de Kriminalpolizei...”
„Van de Kriminalpolizei!”, krijschte Grete Ginzel, ’m opnieuw bij z'n arm vattend: „wat kan mij dat schelen!... As je 'n vinger na 'm uitsteekt...”
„In je eigen belang, juffrouw”, dreigde de beambte, zich driftig losrukkend: „raad 'k je aan 'r geen onnoodig schandaal van te maken — an 't gezicht van je man zie je, als je niet blind ben, dat we ’m op geen losse gronden komen weghalen...”
Hij had gelijk. De schriele, kleine barbier stond zonder 'n woord van verzet en aschgrauw (usschen de twee beambten, die ’m de handboeien aan hadden gelegd. Hij trilde. Z'n vingers beefden nerveus. Z’n lippen mumden.
„Wat het-ie dan gedaan? Wat motten jullie in Jezusnaam van ons?”, gier-huilde de vrouw machteloos tegen den muur van 't portaaltje leunend.
„Dat zou zekere Semmie Lubinsky, als-ie nog leefde, beter kunnen zeggen”, snauwde de beambte, en zonder verder naar de in onmacht zakkende Grete om te kijken, hield-ie 't toezicht op hoe z’n collegas den huiverenden friseur hardhandig fouilleerden.
Benee voor ’t huis verdrongen zich de bewoners, de menschen uit de buurt en de voorbijgangers. Uit 'n auto waren heeren gestapt. 't Ging van mond tot mond, koortsachtig en met verwarde verhalen, dat ’r bij den kruidenier 'n bankje van vijftig Mark, waarvan 't nummer bekend was, een van de gestolen papieren van den „Raubmord” op den eigenaar van het Lombard & Lagerhaus ingewisseld was geworden, dat ze den moordenaar hadden...
308