toen u in de slaapkamer, ik hier lag... Dat vond ’k zoo heerlijk en vertrouwelijk... Je houdt nou natuurlijk niet van me, Duczi — mag ’k Duczi zeggen—maar 'k zal m'n best doen, om je van me te laten houen... En wanneer iemand ’t in z’n hersens haalt, om ook maar dat van je te beweren, trap ’k 'm dood!... Toe!... Toe!... Je weet niet hóé gelukkig ik zijn zal... Morgen vroeg kan 'k naar 't Polizei-prasidium gaan... Als je trouwt verscheuren ze die smerige papieren...”
Aan de overzij werd 'n lamp achter tullen gordijnen opge-stoken, ’n Schaduwhoofd bewoog bij de kap. Om 't niet te zien, sloot ze de oogen en glimlachte bizar. Wat zei z'n vrindelijke stem woorden naast ’r leven, naast de nauwelijks begraven wanhoopsdingen in 'r bestaan...
„Ik zweer je”, hield-ie hartstochtelijk aan: „dat *k ’r nooit 'n toespeling op zal maken, dat ’k je respecteer, dat ’k geen philisteroogen heb, dat ’k leelijker schuld op m'n geweten heb dan jij, dat ’k me kapot zal werken, om jou niet langer je gezondheid achter die machine te laten vernielen — en dan — en dan, Duczi — Duczi — over wat jaren, als je niet leert van me te houen — raak je vanzelf weer vrij, omdat — omdat ’k niet heelemaal gezond ben — omdat ze me al eens opereerden en *n tweede operatie... Daar moest ’k op ’t oogenblik natuurlijk niet over praten — dat klinkt mal, niet — en dat voel ’k zelf — maar in twee, drie jaar — reken 'ns an: twee, drie jaar — wat ’n lengte, wat ’n vooruitzicht! — kun je samen gelukkiger zijn dan anderen, dan haast al de anderen, in dertig, veertig... Als 'k niet te leelijk voor je ben — als je wil — toe, toe! — zeg dan ja, Duczi...”
Als ’n bedelaar was-ie van z’n stoel gegleden, en in de onstuimigheid, die 'm over z’n schuwheid heen hielp, in de veiligheid van 't donker, greep-ie eindelijk ’r hand.
Ze trok ’r niet terug, verweerde zich smartelijk-klagend...
„Waarom vraag je dat, meneer Röse!... Waarom doe je me dat verdriet?... Ik heb zoo verschrikkelijk, zoo afschuwelijk gelejen... Zóó, dat ’k 'i nooit met iemand over spreken kan... Maar 'k hou niet van je... ’k Vind 't ellendig om ’t je te zeggen... Je ben zoo lief, zoo goed, zoo hartelijk voor me geweest... ’k Zou *t graag, dolgraag, als ’k, als 'k van je hield... Misschien later... Nou hou 'k van niemand, niemand... We waren zulke goeie kameraden... Toe, laat ’t zoo blijven... Ik kan, kan met geen man samen zijn, als ’k ’m moet beliegen...”
301