Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



wentelen besluiping: „dat we allen, zonder uitzondering, tot daden gedwongen worden, waarom God, hoe je ’m ook denkt, moet glimlachen, en waarvoor mènschen geen genade over hebben../*

Ze bewoog niet. Ouwergewoonte had-ie dat waarvan-ie vol was, te zwaar, te onhandig-van-betoog ingezet.

„Ik meen”, zei-ie eenvoudiger: „dat de natuur zoo aanbiddelijk is, en toch ieder uur in zooveel quasi „slechte” dingen vervalt, dat je nergens ’n grens tusschen wat mag en wat niet mag oplet...”

„Dat zal wel”, antwoordde ze door z’n gevoeligen nadruk getroffen.

„Ik zou geen definitie van „geluk” kunnen geven”, sprak-ie mat: ,/k geloof niet dat ’k ’t ooit heb gekend... 'n Moeder herinner ’k me niet meer, n vader heb 'k nooit gehad... 'n Vrouw waarvan ’k hield, heeft 'n lage rol in m’n beetje leven gespeeld... Mn eenige waarachtige vriend...”

Schrikkend hield-ie zich in, benepen keek-ie ’r aan — ze verlei zelfs ’r handen niet.

„Schüler...”, vulde ze aan.

„...Is iemand, waaraan ik geen houvast meer heb”, hakkelde-ie: „En toch, toch, zijn we allemaal zoo, dat we iederen morgen, als de zon schijnt, 't net van den wand grijpen, en *t vlindertje geluk achterna loopen... Dat doe 'k al twee en dertig jaar, of 't nog nooit iemand vóór me gedaan heeft, of ’k ’n ontdekker, ’n padvinder ben... En als ’k *n vlinder verschalk, is 'r ’n scheur in m’n net, sta ’k van ’t loopen te hijgen of m’n hart me begeeft...”

’r Wrokte ’n vreemde ontroering in z’n stem — de bril, dien-ie tusschen de vingers balanceerde, viel op 't zeil, en omdat ze niet verzat, 'r kin in de schemering op 'm toe-spitste en ’r oogen *t plafond bleven bestaren, gaf-ie zich geen moeite 'm op te rapen, dompte-ie 't hoofd in de beenige handen.

Toen scheen iets in ’r wakker te worden, na de looden dracht der ziekte-dagen te ontdooien. In denzelfden toon van over-zwaarmoedigheid en zenuw-verslapping, door de bijna donkere kamer met 'r late-avond-getroebel, 'r starre ruiten en dreigend-verklitte schaduwen, tot ’n schrille angststemming gehitst, sprak ze voor zich uit, 'm vergetend, zich moeilijk-worstelend uit den verlammenden, 'r niet vrij-gevenden cocon van 'r gedachten los-spinnend.

„Als je één oogenblik”, artikuleerde ze zwak: „heelemaal, zonder dat iets je hindert, zonder dat je tobt of denkt, heelemaal,

299

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.