Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



langer blijven... Herinnert u zich wat r met u voorgevallen is...?"

„Zeker", zei ze, niet uit ’r inert leunen opzittend.

„Gisteravond was 'n beambte hier...”

„Dat zal wel..."

„Ik zou zoo graag willen weten — is u niet boos als ’k 't vraag — heusch niet? — of — of dat waar is...?"

,,’t Is waar..."

„Dan moet ’r toch iemand de schuld aan hebben..."

„Niemand", praatte ze onverschillig: „’t is zoo en ’t is zoo goed..."

Met de handen op den rug liep-ie de kamer op en neer. ’t Was om hardop, woest en hartstochtelijk te vloeken. Je maakte ’n toespeling op dat aller-afschuwelijkste — je kookte om ’t hoe, 't waarom, de aanleiding, de oorzaak te hooren — en ze bekende ’t temperamentloos, langs ’r neus weg — je had ’t willen losscheuren, je vuisten bij ’r aanklacht tegen dien of dien ballen, 'r troosten, opbeuren, moed inspreken — je had de ingeving bij ’r te knielen, ’r handjes te grijpen en ’r met grimmige passie te zeggen, dat 't niet meetelde, dat je ’r uit de klauwen van brute wetten en misselijke tyrannie wegrukken zou, dat je in 'r geloofde, gelóófde, dat ze haar tot geen „Dirne" vernederen konden — en je zweeg, ’t Waren geen woorden van berusting — God, nee! — ’t schrijnde op je toe als *n cynisch aanvaarden, ’n gemakzuchtig laat-me-met-rust, ’n indolent ondergaan van ’n waanzinnig, onmogelijk, stuitend fatum. Oneindige uren had-ie zich voorgenomen 'r met takt en kieschheid over te praten, ’r als vriend te polsen hóé-lang ze dat voor ’r moeder en zuster gedaan — voor de parodie-moeder en de zelfzucht-zuster, die ’r jeugd exploiteerden — en wanneer ze met de „Sitten-polizei" in aanraking gekomen was — ’n heel gebouw van minachting voor de maatschappelijke wetten, die ’n „onzedelijke” vrouw, zonder vlammend verzet van de „publieke opinie" buitensloten, opsloten, insloten, vervolgden, had-ie in bijtende gedachten geconstrueerd — om ’r *t „ont-eerende" van 't gebeurde niet te laten voelen — en z’n argumenten verwaaiden als kaf, z’n naïve bedoeling ontglipte 'm, z’n eind-voornemen stuiptrekte bij 't koel ’t gesprek coupeeren van ’r ,,’t is zoo en ’t is zoo goed!"

Zwijgend ging-ie weer voor ’t raam zitten, de handen onder ’t hoofd. De hemel grauwde logger over de dakranden — ’t zilver-spettend gespeel der zwaluwen had opgehouden.

,,’t Is wel ellendig", zei-ie in wanhopig-melankolieke, niet af te

298

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.