bij 'm terugkwam, niet „vertrouwde” — echt Duitsch, hoor! — onder rembours opsturen. En als Palou 'r opzocht, kon ze m uit haar naam verzekeren, dat-ie fn „sale cochon” was. Een Ansichtkaart van Lotte met de uitgelaten mededeeling, dat ze met den fabrikant, waarover Laurie geschreven had, „verloofd” was en dat-ie 'r in z’n vreugde twee nieuwe tooneelkostuums, 'n diamanten ring en 'n kompleet stel ondergoed, van alles twaalf, en in de puntjes!, geschonken had, was door Poldi verdonkeremaand, ook ’n briefkaart van Laurie, die zich in de wolken toonde over 't cadeau van ’r aanstaandcrn „schoonzoon”, ’n echte pels, twee knoppen en ’n gemeubileerd appartement, waarin niets ontbrak, niets!... In de laatste week had Duczi kort, lusteloos geantwoord. Ze voelde zich niet gezond genoeg, om de reis te ondernemen... Later. Halfwege brak ze den brief af, keek 'r ’n paar dagen niet naar om, postte 'm door Poldi’s vriendelijkheid, toen-ie eindelijk met groote moeite klaargeschreven was. Alles vermoeide ’r. 't Geringste geluid dreef 'r naar de keuken of de slaapkamer, leek *r onuitstaanbaar. *n Meegebrachte krant keek ze in, om 'r loom-zwaar op 'r schoot te laten zakken. Ze zat soms uren en uren aaneen in den stoel bij 't raam, de oogen gesloten, hijgend ademend als 'n teringlijdster, kikte tegen ’t eten dat Grete Ginzel *r toestopte, kroop in bed zonder zich de moeite te geven zich uit te kleeden en knikte bij vragen en gesprekken, niet begrijpend, versuft, te moe om zich in te spannen.
Op ’n Zondagmiddag dwong Poldi ’r uit te gaan. Ze kleedde zich, tobde de trap tot de tweede verdieping af, zat willoos op 'n tree neer. Ongerust en nerveus sprak-ie ’r toe. Als ze wou, kon ze. 't Werd 'n misdaad zoo aan je gebrek aan energie toe te geven. Met 'n fiksche wandeling buiten in 't groen, bereikte ze meer in 'n paar uur dan met ’t traineeren en piekeren in ’r stoel.
„Kom nou”, soebatte-ie: „we kunnen ’n rijtuig nemen! ’k Zal *t je zoo makkelijk mogelijk maken...”
Ze weigerde klagend. Ze voelde zich duizelig, 'n Anderen dag — vandaag niet. Of-ie gromde en dreigde, 't hielp niet. Boven trok ze de pennen uit ’r hoed, en te machteloos van gebaar, om ’r zich van te ontdoen, glee ze 'r mee op de sofa achterover — en snikte. Goddank, dat ze snikte, dat ze tenminste op die manier 'n ander en ontwakend teeken van leven gaf. In z’n ouwe schuchter doen, scharrelde-ie in de keuken tot ze uitgehuild was, maar toen-ie terugkeerde, had ze zich in de slaapkamer opgesloten. Vervloekt jammer! De eenige oplossing was fr 'n tijd ergens in de
296