zonder overleg, als 'n schooljongen. Met dezelfde lamslaande verlegenheid als van n paar uur geleden, na ’t verhaal van den huisheer, trok-ie z'n groote beenen op 'n sport van den stoel, dook-ie weg bij 't fluisterpraten van ’n beambte, die bij 't schrijfbureau van den chef akte-materiaal aan had gedragen, en keek afwezig naar 't opstoomen van 'n door witte damp-vleugels gedragen trein, die door 'n zot gezichtsbedrog aan 't venster voorbij leek te glijden.
Toen 't zijn beurt was, schrikte-ie. Zich verpratend, naar juiste woorden zoekend, vroeg-ie ineens op den man af, of zekere juffrouw Duczika Zubransku onder Sittenkontrolle stond. En toen 'm dadelijk geantwoord werd, dat zoo iets, als 't 't geval was, niet aan den eersten den besten „Privatperson” meegedeeld mocht worden, krabbelde-ie bij de ’m streng opnemende oogen van den chef, in zulk 'n schulp van hulpeloosheid en niets-meer-durven terug, dat-ie nog enkel haperend beweerde dat de huisheer 'n aanzegging gekregen had.
„Wat wil u dan nog meer?”, zei de beambte verbaasd: „als dat 't geval is, zal 't wel zoo zijn, niet waar?... Alleen wanneer u 'r ’n gedecideerd belang bij heeft, mag ik de registers voor u laten naslaan. Maar dan is 't ’t beste, dat u ons dat schriftelijk aanvraagt...”
„O ja... Dank u wel...”, hakkelde Poldi, zoo onhandig af druipend, dat-ie nog 'ns moest aankloppen, om z’n vergeten hoed van den stoel te grijpen. In de gang liep-ie als ’n gevangene rond, niet meer wetend door welke deur-ie naar boven gekomen was. Weer zag-ie de kamers met de rekken, de wachtende vrouwen, de beambten, de deuren met de opschriften. 'n Paar zachtjes ginnegappende, handtaschjes dragende, verlepte, nu al opzichtig-gekapte Prostituees, hielpen ’m. Achter ’t vreemd geklots van de hakjes, stapte-ie de wenteltrap, de uitgeloopen, doorschaafde treden, in 't geschemer, dat 'n gas-vleermuis je slaaprig bevlamde, af. En week uit, omdat-ie 'n nieuwe ris afgeleefde, niet pratende, verveeld-zeurige, fm norsch langs-stom-melende, nauwelijks plaatsmakende schepsels, die uit de wachtkamer op waren gescheld, in de benedenste ronding tegenkwam. Op straat, in 't weldadig-mild zonnetje, aan de overzij van „Eingang VI”, stampvoette-ie driftig. Als 'n idioot had-ie zich aangesteld! Erich zou in zoon situatie den knoop zonder te aarzelen hebben doorgehakt. Erich liet zich nooit intimideeren i— hij, 't was z’n verdomde natuur!, kreeg eerst fut en energie, als-ie
19* 291