„Dat liegt u!' stoof Poldi op: „u is ’n laffe, gemeene leugenaar!”
„Over die woorden uit uw mond, zal 'k me niet druk maken”, verweerde de huisheer zich kalm, en z’n beringde hand suste 't vinnig gekef van 't affepinchertje. Onverschillig de schouders ophalend, gaf-ie den dokter de nadere explicatie—de beleediging van den opgewonden student, die 'r vermoedelijk zelf was inge-vlogen, deerde 'm niet dat! —: „U kent me lang genoeg, dokter, om te weten, dat 'k zoo iets niet op losse gronden zou beweren! Voor 'n paar dagen heb fk m'n portier net zoo onbehoorlijk af gesnauwd, toen-ie me voor dat meisje, waarmee 'k ook wel 'ns, zooals ieder ander, *n praatje maakte, waarschuwde... De zaak is me natuurlijk buitengewoon pijnlijk... 'k Heb nog nooit iets met de politie voorgehad. .. Vanmorgen kwam de aanzegging, dat 'r 'n aanklacht wegens „Kuppelei” — verbeeld u, dokter! — wegens Kuppelei tegen mij, als huisheer — tegen mij! — zou ingesteld worden, als 'k niet onmiddellijk de noodige maatregelen nam! Twee huizen verder is 'n openbare school — in de zijstraat van de overzij — hoef ik u dat duidelijk te maken, dokter? — 'n kerk — en daarenboven, zelfs als 'r geen schoolgaande kinderen hier in m'n huis waren, is dit goddank 'n straat, waarin geen vrouw, die onder „Sittenkontrolle” staat, loopen, en
nog minder wonen mag! U ziet, dokter, hoe volkomen
ongemotiveerd en ergerlijk deze heer zich tegenover mij en 'n fatsoenlijk portier uitgelaten heeft!... Hoe eerder u 'r voor zorgt, dat 't jonge ding — op m'n eerewoord, 'k heb meelij met 'r — 'k wou dat ’k wat voor 'r doen kon, weer uit 'r zoogenaamde bewusteloosheid bijkomt — zuiver lijkt me de nieuwe komedie niet! — hoe eerder ze 'r boeltje pakt — na de achterstallige huur betaald te hebben—wat drommel, moet ik 'tkind van de rekening worden, waar 'k 'r om ’n haverklap invlieg! — hoe liever 't me zijn zal en hoe meer u mij persoonlijk zult verplichten...!”
Hij besloot z'n volkomen correcte woorden met 'n nerveus op den anderen arm nemen van 't affepinchertje, en stak z'n uitgegane sigaar op.
„Is ’t waar — geen laster — geen leugen?”, mummelde Poldi, tegen den behangselwand leunend — één moment zag-ie alles onvast — de kamer, de barbiersvrouw, de drie mannen: „heeft u waarachtig zoon krankzinnige, onmogelijke aanzegging...?”
„Op m'n eerewoord, meneer”, zei de huisheer eenvoudig: „ik ben geen beul — ik heb geen keus — u kent de wet zoo goed
286