dedigen kan, die te slap en te beroerd is om 'n woord te spreken, zoo vuil tekeer te gaan... Misselijk!... Bah, hoor!”
„Wat is dat?... Wat moeten jullie?”, vroeg Poldi, met dreigend-gebalde vuisten.
„Is u familie van dat schepseltje?”, zei de heer met 't hondje.
„Ik vraag!”, viel Poldi woest uit — en terwijl-ie de slaapkamerdeur dichttrok, keek-ie de twee indringers met de grommende kwaadaardigheid van ’n gesarden dog aan: „Ik vraag wat je hier moet...!”
„Wat ik hier moet, ik, ik...” praatte 'm de ander in glimlachende verwondering na, en de portier kwam 'm te hulp.
„Geef 'm geen asem, meneer!”, sprak-ie ruw-vernietigend: ,,da's de student met wie ze Zaterdagnacht zoo de boel opgeschept het, dat 't halve huis ’r van wakker geworden is...” „Kerel, pas op!”, dreigde Poldi, op 'm toeschietend. Als-ie binnen z'n bereik was geweest, als-ie 'm te pakken had gekregen, zou-ie 'm ongezouten hebben toegetakeld, maar Grete Ginzel hield 'm terug, en de bij z'n onstuimig opdringen 't vloerzeil meesleurende tafel, belette 'm 't vluchtende mannetje, 't geweld van z'n knuisten te doen voelen.
„Met uw verlof!”, zei nu de dokter ontstemd — hij kende den huisheer, en had niet den minsten lust in buren-krakeel gemengd te worden —: „op uw dringend verzoek ben 'k zoo beleefd geweest voor 'n ernstig-zieke dadelijk met u mee te gaan!... Wil u van uw kant zoo beleefd zijn met uw disputen te wachten, tot 'k weer weg ben?...”
„U heeft gelijk”, zei Poldi, zich met moeite bedwingend: ,,'k zal met dat heer strakjes afrekenen... Maar u wil wel zoo goed zijn, dokter, de woorden van dien ploert, in 't bijzijn van zooveel getuigen gesproken, te onthouden...”
„Dat kunt u rustig, dokter”, knikte de huisheer met de aangename en bezadigde zekerheid van iemand die in z'n recht is: „m'n portier doet enkel z'n plicht, niets meer en niets minder. Zoolang 'k huizen in Berlijn heb, is me zulk 'n geval met bewoners nog nooit overkomen... Deze heer heeft u besteld voor 'n meisje, voor de dochter van 'n familie, waartegen 'k als huiseigenaar niets had in te brengen, maar sinds vanmorgen ben 'k 'r van op de hoogte gebracht, dat 't jonge ding onder mijn dak 'n schandalige komedie gespeeld heeft, en onder „Sittenkontrolle” is geraakt...”
285