Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



Ze wou 't uitschreeuwen op den Potsdamerplatz, op den Leip-ziger, overal... Ze walgde. Ze walgde van den eersten met wien ze mee was gegaan, walgde van den huisheer, den vischhandelaar, den Italiaan, den mantel fabrikant met de vette lippen en de hangbuik. Ze walgde, ’t Kon ’r niet schelen — en ’t was góéd. Ze begreep niet wat 'r met 'r gebeurde, waarom ze 'r ouderdom moest opgeven, waarom ze 'r signalement opschreven, waarom ze 'r ’n formulier, met ’n warrelend mierennest van grauwe, zwarte, rosse, paars-vonkende letters, lieten teekenen — ’r naam voluit — voluit: Duczika Zubransku...

Glimlachend, 't papier, dat ze mee had gekregen, in de hand — glimlachend, of ze 'n examen af had gelegd en *n diploma bij zich droeg — kwam ze uit „Portal VT’ van ’t „Polizei-prasidium” op den Alexanderplatz. Ze had 'r geen begrip van of ze 'r 'n uur, ’n dag, ’n week was geweest — ze zag alleen aan de brandende lantaarns, de gesloten winkels, dat 't avond of nacht was — en liep.

Soms dacht-ze, als ze niet verder kon, als 't trottoir en de stoepranden in duizeling om 'i heen bewogen, ik ga in *n portiek uitrusten — je kon 't niet doen voor de menschen — 't stond te gek — je had 't nog nooit gedaan. En dan liep ze weer van de eene straat in de ander, vreemd-gehaast, zonder fut om langzamer te stappen, dwarsstraten inslaand, bang voor de veelheid, ’t licht, de onpeilbare lengte der electrische ballon-rissen. Op 'n plein aarzelde ze, zocht ze de schaduwplekken, 'r Was plantsoen, rust van struikjes en boomen bij de glanspoort van 'n Unter-grundbahnhalte. Aan de zij van de huizen knoerste ’t geweld der door de railbochten knauwende trams en van de voorbij-gonzende auto’s klonken signaalkreunen door ’t duister. Achter de struiken werd ’t minder rumoerig. De paadjes slingerden rondom de grasperken naar de geel-koepelende boog van den Untergrund. Daar, op de banken, mekaar nauwlijks bij aankr< kende voetstappen loslatend, zaten vrijende paren, mond op i lond, soldaten met dienstmeiden, jonge deernen en mannen. In t zwoele geschemer van ’t plein met z’n geluiden-gewatel en z’n de struik-rastering doortastende lampe-sprankels, in die kleine planten-spelonk tusschen huismassa's, daken en gevelspitsen, hielden ze zich om-strengeld, en van de boompjes ritsel-wiegde ’t groen, zacht-cadanseerend, beminnelijk en schalksch — als in ’n woud, zonder buren.

Treuzel-moeilijk, waggelend, nu ze de zekerheid van 'r jaagstap

279

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.