Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



kanarie — 't dee 'r niets meer — smeet ze in den vollen vulnis-bak. Dien droeg ze omlaag, om ’m in de „Mühleimer” te ledigen. Ze redderde, zooals ze 't iederen morgen gewoon was. Ze besmeerde *n boterham met Schmalz, liet 'm staan. Ze betrapte werktuigelijk 't pedaal van de machine — ze had ’t zooveel jaren gedaan — Dinsdag, vier uur, moest ze afleveren... Dan, in 'n aanval van razernij, wierp ze zich op de sofa, bonsde 'r hoofd tegen den muur, knauwde 'r nagels in 't trijp, en om 'r kermend geklaag te bedwingen, beet ze als 'n waanzinnige in 't kussen. De beesten! De ellendelingen!... Die twee, die twee!.,.. Ze wrong zich op 'r rug en brulde — ze viel tegen den grond, en snikte, 'r Hersens hielden 't rauwe gegurgel van ’r borst, ’r longen, 'r strot niet uit. Ze sloeg de handen voor 'r mond, om 't niet te hooren, wentelde zich op *r buik, schuurde zich de vingers aan de zeilrafels stuk, hijgde gier-kreunend tot ze, op en heesch, niet meer kon. Tot dicht bij eenen lei ze zoo op den grond, soms met loom-gesloten oogen, soms half-bewusteloos de spinweb-scheuren van 't. plafond bekijkend. Toen, moeilijk, met pijn in den rug en lam-geslagen schouders, kroop ze overeind. In 'n zonneplas op de tafel paste ze de snippers van den verscheurden brief, die bij ft gezwiep van ’r adem niet stil wouen liggen, hardnekkig-geduldig tezaam, en las ze, tien-, twintigmaal, 'r niet genoeg van krijgend — soms met inspanning en *n looden gewicht aan de oogleden, de letters belodderend — soms met ’n krijschend-helder haat-visioen, dat de tanden in *r lippen dreef. Nee, de leugenaarster loog dezen keer niet. Tegelijk met hèm was ze verdwenen. Woensdag, Donderdag, was-ie in Berlijn geweest — Vrijdag had-ie aan Poldi Röse geschreven... Dus, dat op z’n kamer was leugen — z*n zeggen, dat-ie nooit, nooit van 'n ander zou houen, was leugen — z'n lippen, die ’r gezoend hadden, gezoend, gezoend!, waren leugen, leugen!... Ze probeerde elk woord van dien Vrijdag, in ft geschemer van z'n kamer, elk woord dat zij en elk dat hij gesproken had, in de troebeling van 'r geheugen terug te vinden — hoe ze gezeten hadden — hoe 't was op 't balkon met z’n jas aan en z'n hoed op — hoe de stand van z'n oogen geweest was,* ze kwam 'rniet uit, kreeg gee^n houvast — 't kon, kon, kon niet...

Zonder iets gegeten te hebben, zette ze om acht uur Tr hoed op. Ze moest 'r uit. Hier maakte ’t aangrauwen van den schemer *r gek. Ze ging naar z'n kamer. Aan z’n vriend, dien ze niets had kunnen zeggen, zou ze *t biechten. Ze zou ’m smeeken —

274

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.