„andere betrekking te zoeken. Daar ben ik nu nog mee bezig. „Nu komt het groote nieuws, dat ik u liever het eerste schrijf, „omdat u er niet blind voor was, dat wij meisjes alle drie, Lotte, „Duczika en ik, de een al meer dan de ander op Erich Schüler „een „beetje” verliefd waren. U haast ook, is het niet? Nu heeft „Erich m ij gevraagd, en kon ik natuurlijk, natuurlijk! — ik „was vanaf het eerste oogenblik dol met hem — dat weet u „zoo goed als Lotte en Duczika het weten! — nu kon ik niet „nee zeggen! Wij hadden alle vier ja gezegd: is het niet? — „en nu wou ik dolgraag, lieve tante, die ik altijd dankbaar zal „blijven voor haar goedheid en gastvrijheid, dat u het Lotte en „Duczika vertelt. Misschien vinden zij er niets aan en misschien „nemen zij het mij kwalijk. Dat laatste zou ik ellendig vinden, „want we hebben altijd goed met elkaar kunnen opschieten en „het is mijn schuld niet dat hij mij eerlijk gevraagd heeft. Ik „zou op Lotte en Duczika ook niet boos zijn geweest, ofschoon „ik er menige traan om gelaten zou hebben! Ik voel mij natuurlijk „dol gelukkig. Erich erft waarschijnlijk een kleinigheid van zijn „oom, die Maandag gestorven is. Wij behoeven dus niet lang „te wachten, tenminste waarschijnlijk niet, en als ik van mijn „kant wat voor u en de nichtjes zal kunnen doen, zal ik het „niet laten. Ik had op mijn spaarboekje een kleinigheid, dat „komt dus goed te pas. Als er geen zure gezichten zijn, kom „ik mijn goed de volgende week, Maandag of Dinsdag, af halen. „Schrijf mij een woordje, alsjeblief. En zeg dan meteen wanneer „u denkt af te reizen! Ik wacht uw antwoord Poste restante „S. W. 19. Met de hartelijkste groeten voor u, Lotte en Duczika, „uw liefhebbende B e 11 y.”
Nog nooit had Poldi iets zoo belabberds voorgelezen, nog nooit sommige zinnen zoo onverstaanbaar gebrabbeld. Telkens als-ie in de buurt van 'n woord dat 'm onaangenaam toescheen, kwam, haperde-ie, keek-ie schichtig over de brilleglazen heen naar ’t niet bewegend figuurtje op de sofa, en eerst bij 'r monotoon „verder!”, nauwelijks hoorbaar gesproken, hervatte-ie de vervloekte lectuur, om bij de toespeling op de „gezamenlijke” verliefdheid, of bij de herhaling van den naam Duczika, opnieuw te stokken. Toen-ie klaar was, lei-ie den brief in de schaduw van een van de flesschen Lobenheimer, vouwde de handen, keek met saamgeplette lippen naar 'n gat van 't zeil — en met wijd open schrikoogen naar de kleine, bleeke, afhangende hand met den mannering en 't windsel sajet. Wat weerlicht! Als dat dezelfde ring was, dien-ie
270