terwijl ’r oogwit vertrok, en ze op geen enkele vriendelijk-drin-gende vraag reageerde, stapte-ie onrustig van de machine naar 't gangetje.
Na 'n poos praatte ze zelf weer, lusteloos, onverschillig, zonder de oogen te openen.
„Ben u daar nog, meneer Röse?”
„Ja, juffrouw...”
„Wanneer was-ie in Berlijn?”
„Wie?”
„Hij...”
„Erich?”
„Erich”, herhaalde ze toonloos.
,, W oensdagmiddag...”
„En toen?”
„Donderdag...”
„En toen...”
„Meer weet ’k niet...”
„Ik heb zoo’n vreemd gevoel in m’n hoofd... Daar ligt 'n brief... Wil u zoo vriendelijk zijn — als 't niet te veel moeite is — 'm voor te lezen...”
„Zal ik dat?”, aarzelde hij: „is 't niet beter dat u nog wat uitrust... De warmte heeft u bevangen... Hoe kwam u ’r toe met alles potdicht te zitten werken...?”
Even lag ze stil. Toen vroeg ze ’t nog eens.
„Heusch, ’k voel me beter... Wil u?”
En hij las, goedig, geduldig, de wreedheid van den brief niet begrijpend...: „Lieve tante! Wees niet boos, dat ik zoo „langen tijd niets van me liet hooren en zoek er geen slechte „dingen achter. Ik had al een paar maal aan willen loopen, „om u een en ander te vertellen, maar telkens kwam er wat „tusschen beiden. De hoofdzaak is, dat ik met een nieuwen „rayonchef van het Kaufhaus” een akelig-naren dienstdoener, „Dinsdag een hoogloopende ruzie had, omdat hij mij in het bijzijn „van verschillende collega's beleedigde. Ik behoef mij zooiets „niet te laten welgevallen, niet waar? Wanneer hij zijn opmerkingen zonder getuigen gemaakt had, zou ik niet zoo driftig „geworden zijn. Kort en goed, ik ben Dinsdag, na het middageten, niet teruggekeerd, en kwam Erich Schüler, die bij zijn „advocaat of bij den notaris moest zijn, dat doet er niet toe, tegen. „Wel een wonder in Berlijn, vindt u niet? Ik vertelde hem van
„de onbeschoftheid van mijn chef en hij raadde mij aan een
269