kijker, die in de haast, om zich weg te maken, z’n venster zoo snel, zoo onhandig toesmeet, dat ’n ding, dat op ’t kozijn had gestaan, op de steenen van de binnenplaats aan stukken viel En ook beneden schenen Tr menschen naar ’t ziekelijk geschater van de meisjesstem geluisterd te hebben.
Wrevelig sloot Poldi de ramen, rukte de gordijnen in den stand, zooals-ie ze gevonden had. In den leunstoel, waarin Laurie bij z’n laatste bezoek had zitten coqueteeren, wachtte-ie onprettig tot ’t meisje tot ’r bewustzijn kwam. Goddank, ze lachte niet meer. ’r Handen leien op ’t trijp van de sofa, ’r wonderlijk-fijn kopje, met ’t gesloten mondje en de schaduwen van de lange wimpers, rustte als in slaap naast ’t portret van den vader in z’n pels, dat Laurie niet mee in ’t karton had gepakt. Op de teenen sluipend, om ’r niet te wekken, duwde-ie de deuren van slaapkamer en keuken open. Dat gaf tenminste ’n beetje tocht, zonder overlast van de buren...
Bij ’r in de kamer terug» sprak-ie ’r aan. Ze staarde met bloed-beloopen oogen naar de lamp, huiverde, gaf ’m geen antwoord. Maar toen-ie met z’n rug naar ’r toe stond, de uit de machine hangende blouse bekijkend, en met minachting aan Erich denkend, die 'n zoo verdomd gemeen spelletje met twee tegelijk speelde — of waren de tranen, die-ie Zondagavond in den spoorcoupé in z’n oogen gezien had, voor Betty geweest? — had-ie dien nacht gelogen, of zichzelf wat wijs gemaakt? — toen-ie overwoog, wat-ie kon doen, om ’t uitgeput zenuwschep-seltje op de sofa, te helpen, schrikte ze ’m plotseling op.
„Wil u me, asjeblief, ’n glas water geven, maar koud, erg koud... De glazen staan in ’t buffet...”
„Graag”, zei-ie, blij dat ze op dreef kwam.
„Dank u”, sprak ze, ’t van ’m aannemend. Ze dronk met starende oogen, slokje voor slokje, knoopte ’r blouse dicht, zette zich aan de tafel, zocht geheugenloos de kamer af, glimlachte toen-ie ’r wou helpen, en scheurde den brief open, dien ze dien morgen niet had willen inkijken. Van de drie zijdjes schrift, dicht beschreven, las ze alleen den naam E, r i c h, die ’r ’n paar maal in voorkwam. Ze begreep ’t niet. De letters schimden voor ’r oogen. Weer zou ze op den grond zijn gevallen, als hij ’r niet bijtijds vast had gegrepen.
„Ik ben zoo dronken”, klaagde ze mat: „de kamer danst met me op en neer...”
Voor den tweeden keer droeg-ie r bijna naar de sofa, en
268