schreef — dat-ie niet komen kan — omdat-ie 'r niet is... Heeft uw mama niets van rm gehoord?”
„Mama", praatte Duczika wezenloos — ze bewoog in 'n diepte zonder houvast: „is op reis..."
„Ben u dan hier alleen?"
Ze knikte, star, afwezig, ’m niet aanziend.
„Ik begrijp niets van 'm", hakkelde Poldi, schuw 'n plooi van *t tafelkleed recht trekkend — wat beteekende de gedekte tafel met de twee borden, de twee flesschen wijn? — wat de heele krankzinnige historie? —: „...Woensdagmiddag, terwijl ik op de drukkerij was, heeft-ie boorden, manchetten en rommel van de kamer gehaald, enkel twee regels achtergelaten, dat 'k me niet ongerust hoefde te maken, dat de dood van z'n oom... Luister u niet...?"
„O, jawel..."
„Dat 't overlijden van z’n oom 'm drong in Friedrichshagen te blijven... Donderdagmiddag is-ie nóg even boven geweest, ’k weet niet waarom... En in de brief van gisteravond, de eerste uitvoerige — heb ’k 'm bij me?... Nee!... — schreef-ie, dat-ie zich met uw nichtje Betty definitief had..."
Hij stokte, sprong zoo wild op, dat-ie zich 't hoofd aan de lamp die knarsend heen en weer bungelde, stiet.
't Elegante jonge ding over 'm, 't kindje met 't bleeke Madonna-kopje, smakte van 'r stoel op den grond, lei bewusteloos op de meegesleurde stoelleuning.
Naast ’r bukkend, praatte-ie *r angstig toe, nam *r in zijn armen, droeg 'r naar de sofa, bette ’r hoofd, 'r oogen, 'r handen — ze kwam niet bij. Toen, benepen-aarzelend, met bevend-pluk-kende vingers, haakte-ie 't bovenste knoopje van 'r blouse los, om 'r meer lucht te geven, schoof de gordijnen opzij, duwde de ramen wijd-open — de warmte moest ’r bevangen hebben — was dat hier n moorddadige temperatuur! en bette 'r nog eens. Ze bleef bewusteloos. fk Zal de barbiersvrouw van hiernaast roepen, dacht Poldi, zich 't zweet van ’t voorhoofd drogend. Die moet Tr in bed leggen. En misschien heeft die 'n calmans in huis. De deur liet-ie anstaan, maar bij Ginzel werd niet opengedaan. Niemand thuis. Vervloekt!... Toen liep-ie de trap af, klopte bij den portier aan, zei dat juffrouw Zubranskti, van driehoog in ft „Gartenhaus", in onmacht lag, of-ie zoo vriendelijk wou wezen in de een of andere „Drogerie" ’n middeltje te gaan halen, waar-voor-ie 't recept zou schrijven.
266