had de geweldige portie varkenskop, die Ginzel op ’r bord had geladen, ’r bij de familiekwaal van de Zubranskus — de hérédi-tair-slechte spijsvertering — ’n zotte en melankolieke bui bezorgd. Zij was en zij werd zoo niet! Voor ’t spiegeltje in de slaapkamer, effende ze zich ’t blonde haar, zag dat ’r blouse met ’t gedecolleteerde halsje en de half-bloote armen als gegoten zat, en met den kanarie, die met de zwak-doorbrekende zon begon te babbelen, vroolijk-op redeneerend, hervatte ze ’r arbeid, 't Uur rusten had ’r goed gedaan. Ze kon nog wel veertien dagen wachten — en langer. Gek was ’t leven! Voor wat maanden, toen ze door Frida nog geen kennis aan 'm had, bestond-ie niet voor ’r, en nou-ie wèl voor 'r bestond, had ze niet 't geduld, om 'm ’n paar dagen niet te ontmoeten... Wanneer-ie vanavond, of morgen, of overmorgen, onverwacht zooals-ie 't altijd dee, met 'n kleine attentie kwam binnenvallen, zou ze niet eens den moed hebben 't 'm te biechten. Ze dronk twee groote kommen koffie, omdat ze zich in de maat voor zichzelf alleen, vergistte. Ze werkte, neuriede, sprak met den vogel, at ’n paar boterhammen met koude varkenstong, die Grete Ginzel zoo vriendelijk was ’r te brengen, en voor 't huis om tien uur gesloten werd, schepte ze bij 't inslaan van *n paar kleinigheden, die ze voor den volgenden dag noodig had, nog even 'n luchtje. Om half drie, moe en opnieuw schrikkelijk down, stapte ze in bed, sliep met akelige droomen tot bij zeven, en zette den weer zonnigen dag met dezelfde blijmoedigheid van gistermorgen in, door ’t verzorgd ’r haar opmaken en door 't opnieuw aantrekken van den blauw-lakenschen rok en de Zondagsche blouse. Hij kwam. Hij kwam stellig. Dat voelde ze. Je gevoel bedroog je nooit. Voor geen geld wou ze 'm ontvangen in 't morsig werkpak, dat ze vroeger voor Laurie, Lotte en — Betty aan had móéten houen, om niet de aandacht te trekken! Ze knipte ’r nagels, poetste ’r tanden, twee-, driemaal — ze leken ’r niet zoo hagelwit als anders — ze haalde met 'n afgebrande lucifer, gewoonte van Laurie en Lotte, 'r oogwimpers bij, ruimde de kamer op, maakte de slaapkamer aan kant, zat later dan gewoonlijk achter den jagenden machine-naald. Gebukt over de zij en de voering, de stoffen onder ’t voetje met ’t zigzaggend garen aanschuivend, zag ze voortdurend, of ze ’r naar keek of niet, of ze wou, of dat ze 'r zich tegen verzette, 't matgoud van den massieven mannenring, die, te groot zelfs voor ’r middelvinger, door 'n windsel sajet vast werd gehouden. Wat lief, wat schattig, mijmerde ze, en
259