begreep ’t halve woord, wou dolgraag het heele weten... „wat hou je midden in op...!”
't Lag Duczi op de lippen, om tenminste met iemand, iemand uit te praten — 't heerlijk-drukkend geheim van de laatste dagen, dat 'r gedachten geen seconde met rust liet, tot in de kleinteerste détails uit te pluizen — 't koortsig-gebeurde nog eens met vloed van onstuimige woorden te doorleven — en Erich z’n naam telkens en telkens weer hardop, verrukkelijk hardop te zeggen — ’r lippen werden warm en om ’r hoofd bewoog iets onpeilbaar-liefs —, ’t stiet af bij ’t grove gelaat van de barbiersvrouw, bij de zinnelijke lippen en de gele konijne-tanden. Gewild lachend, maakte ze ’r zich met ’n grapje van af, en ’n oogenblik later stond ze voor ’t raam in de eigen kamer, drukte ze ’r voorhoofd tegen de ruit en snikte. Zondag, Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag, Vrijdag... Zes dagen... Zés... Ze hield ’t niet uit... Als-ie vandaag niets van zich liet hooren, wéér niets, zond ze 'm 'n telegram naar Friedrichshagen, ging ze ’r zelf heen — lieve God, zóólang kon je toch niet door 'n begrafenis van ’n oom, waarvan je niet eens gehouden had, in beslag worden genomen? Zóó kon je niet onder den indruk zijn, dat 'r geen tijd voor 'n briefkaart overschoot!... Misschien, misschien had-ie ’t voor Laurie en Lotte gedaan, maar Dinsdagavond, vóór negen, had ze *m 'r aan herinnerd — de woorden van ’t postscriptum kende ze van buiten — dat ze ze Donderdagavond naar den trein zou brengen, en tot zelfs de kleine beleefdheid van 'n groet aan de vertrekkenden, was achterwege gebleven... Zn vreemde, onverklaarbare houding, z’n stilte, begonnen 'r plots te benauwen. Ze voelde wel, dat ze onredelijk dee, dat de ongewone rust van de kamer, de slaapkamer, 't keukentje, ’r tot die ellendige stemming van verlatenheid ophitste, dat ze 'r evenwicht kwijt was; ze snikte, omdat ze moest snikken, en toen de vischhandelaar, die bij 't afdragen van de koffers had staan toekijken, en ze allemaal had zien instappen, 'r met hinderlijke driestheid aan de overzij lastig viel, wierp ze zich languit op de sofa, 't gelaat in de handen, en terwijl ’r tranen door 'r vingers glejen, rekende ze den tragen gang der dagen na. Vrijdagavond had-ie 'r den ring, dien ze nu voor 't eerst werkelijk droeg, gegeven — Zaterdag, laat, was-ie — de lieve jongen — met de boschviooltjes, die nog in ’t tumblerglas bij de naaimachine op tafel stonden, terwijl Mizzi met de meisjes op visite waren, op komen zetten, had-ie met Laurie ruzie gehad,
17 257