z’n vrouw nog met ’n paar meiden van ’t „Vorderhaus” van de wat afgekoelde lucht profiteerden, maar toen ze ’m vriendelijk vroeg de deur voor r open te sluiten, snauwde-ie 'r onhebbelijk toe, dat ze zelf sleutels had.
„Die heb 'k ook”, verontschuldigde ze: zich, in ’r beurs 'n tien-Pfennigstuk zoekend: „maar mama heeft 'r een mee op reis genomen, en de ander is bij n kennis... 't Is lastig, 't spijt me erg... Wil u 'r mij een voor 'n paar dagen leenen...?”
„Denk 'kniet an!”, weiger de-ie bot: ,,’tis hier geen rendez-vous!”
Grommend, ingeihouden-vloekend — de last met de bewoners van de „Gartenhäuser” voor 'n portier! — 't fooitje niet aan-nemend, opende-ie de voordeur voor dien éénen keer, en terwijl Duczi boven, met n lamlendig gevoel van verlatenheid — hoe anders was ’t dan ze ’t zich gedacht had — hoe viel 't 'r tegen! — de kamer begon te ruimen, om 'r weer ’n tikje bewoonbaar te maken, na de aftakeling van Laurie en Lette, terwijl ze hardop met den kanarie redeneerde, om 'n aanspraak te hebben, smoesde de portier met de meiden en z’n vrouw over 't schandaal van 'n kind van dien leeftijd, dat zoo brutaal 't kwaje pad opliep, en door 'r eigen moeder gesteund werd...
Dien Vrijdag verveelde Duczi zich ontzettend. Vroeg 's morgens had 't geonweerd, 't Stortregende tot den middag, bleef druilig, donker weer. Ze trapte achter de machine aan een stuk door, zonder zich de moeite te nemen behoorlijk te ontbijten. Gescheld werd *r niet. De kanarie hield z’n bek. Als ’t klokje niet getikt had, en de Italianen-van-benee, laat uit de Bar weerom gekeerd, niet telkens weer met krakende schreeuw-stemmen geruzied hadden, en ’r op de binnenplaats geen concert, onder druipende parapluies, van twee vrouwen en ’n man van ’t Heilsleger was geweest, zou de morgen in absolute, monotone, droefgeestige stilte voorbij zijn gegaan.
Om een uur belde ze bij Ginzel aan. Ze had vandaag geen lust om te koken, en nog pas gister had-ie 'i zoo hartelijk geïnviteerd, dat ze zich niet lang bedacht.
Ginzel, die zelf openmaakte, dee bedremmeld, zei op fr vraag, of ze niet ongelegen kwam, dat ze natuurlijk welkom was, maar dat Grete eerst in *n half uur klaar zou wezen.
„Dan wacht ’k even bij jullie”, praatte Duczika iets vroolijker: ,/k heb van vanmorgen half vijf af nog geen menschelijke stem gehoord... *k Zal je vrouw 'n handje helpen...”
252