't succes — want 'n succes werd 't — dat garandeerde-ie...
Midden in z’n gebabbel, dat geen interrupties en nog minder overdreven afscheid-nemen duldde, stoomde de trein 't station binnen. Dat gaf 'n zenuwschrik, ’n angstig haasten, om 't valies, de doos, 't carton en de kleine pakjes van de bank te grijpen. Eerst liepen ze dringend en gejaagd naar de locomotief-zij, toen nog gejaagder naar de achterste wagens. Daar, in de gang van de goddank bijna leege coupés, omhelsde Laurie, bang dat de trein Duczika en Palou mee zou nemen, allebei in 'n vloek en 'n zucht. Lotte schoof 't portierraam neer, en 't werd nog 'n kort praten, zonder hartelijkheid en zonder warmte, terwijl de bagage van de passagiers in den goederenwagen werd geladen. Palou, die 't meeste sprak, had de hoofdaandacht, was de oorzaak, dat Duczika en Lotte zwegen en dat Laurie onwerkelijke, théatrale, door de aanwezigheid van den dansmeester ingegeven dingen zei. 'r Valsch sentiment, *t komedianterig doen van de weer ontwaakte tooneelmoeder, die „op reis” ging, drong 'r plotseling 'n larmoyant geteem in de Fransche taal op.
„Ma pauvre, pauvre fille, qui va rester seule!”, kwijlde ze, den zakdoek voor de oogen: „mon cher Palou, mon cher ami, je vous en prie, ne Toubliez pas!”
„Mais non! Mais jamais de ma vie!”, verzekerde Palou, vaderlijk z'n arm door dien van Duczi stekend: „je vous assure, madame, que je suis parfaitement a sa disposition!”
„Tu m'écriras chaque jour, ma fille chérie, ma Duczi adorée?”... zei Laurie nog pathetischer, maar omdat ’n meneer achter 'r met ’n handkoffer hardhandig opdrong, viel ze zichzelf met 'n: „wel gedorie, wat is 'n zeker soort heeren toch allemachtig onbeschoft!” in de rede.
Dat, met 'n druk herhaald: „Adieu! Adieu!” waren de laatste afscheidswoorden. De trein glee de donkere gaping achter de stationskap in. Lotte's zakdoek wuifde en de staalglimming der rails liep de roode lantaarns van den treinstaart achterna.
„Nou, nou, ’t is niet voor eeuwig”, troostte Palou. ’r Snikken bedwingend, stapte ze de trap af. Lieve God, was dat akelig, liet *t *n leegte na...
Thuis was 'r al dadelijk iets schrikkelijk-vervelends. Laurie, die 't laatst boodschappen was wezen doen, had in 'r opwinding den eenen huissleutel van *t beneden-voorportaal vergeten te geven — den anderen — had Lotte ’r gezegd — moest Erich nog terug brengen. 't Scheen 'n buitenkansje, dat de portier en
251