Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



gevoel, dat 'r leven *n bezoeking was, dat ze op hââr jaren nog zoo voor 't brood van 'r kinderen moest sappelen, achterover. In ’r trillende paphandjes hield ze *n buidel versnaperingen, ’n pak met broodjes en gekookte eieren, vier fleschjes bier, 'n toetje pepermunt — ’r ingewanden waren door 'r nervositeit gewoon van streek — twee fransche peren, door Duczi pas als attentie aan de stationskiosk gekocht en 'n flacon eau-de-cologne

— 4711 — geschenk van den braven Ginzel, bij de voordeur in *r handen gestopt. Lotte, nog groen-bleeker door den witten schijn van 't electrisch licht onder de stations-bekapping, liep als *n gevangene van de bank naar 't seinhuisje op en neer, bij elk uitwippend bord van binnen-stoomende treinen, bij iedere twee vuurkollen op de rails, benepen stilstaand, in duizend-vreezen, dat *t de Russische trein was. Onder 'r arm klemde ze ’r mantel

— in 'r eene hand de in 'n krant gewikkelde pantoffels, die Laurie vergeten had in te pakken, en waarvoor ze op ’t uiterste nippertje Mizzi's valies noch 't karton had willen ontsluiten — in ’r andere 'n 30-Pfennigflesch met zuurtjes, cadeau van Grete Ginzel, ’n zelf ingeslagen geillustreerd weekblad, 't bagage-reçu en de biljetten. Duczi, zonder mantel — zelfs hier op ’t perron bleef *t drukkend en zwoel — dee 't luidruchtigst. De paar Mark in 'r beurs brandden 'r. Als ze Laurie zoo zag zitten, golfde 't wild-meelijden in 'r op, dwaalden ’r oogen naar de uitstalling van bakjes fruit, Leibnitz-cakes, chocola en beugel-fleschjes cognac in de kiosk. Met wat kan ’k ze nog plezier doen?, knaagde 't telkens in ’r. Ze had, nu 't nog maar minuten kon duren, fn schuldig-aanklagende sensatie, dat ze de verloopen week schandelijk-schandelijk onoprecht, gemeen, zelfzuchtig was geweest, dat ze soms de uren had geteld, ze in ’r verlangen naar Erich weg had gewenscht... ’tBekroop ’ronder de holle, dreigend-neerhangende, triestig-stemmende stationskap met de eindeloosheid van groene, roode, witte lichtjes, dat ze ze terug had kunnen houden, als ’t ’r wil en intentie was geweest... Ze had in de verste verte niet gelogen, toen ze Erich zei, dat ze van niemand, ook niet van Laurie en Lotte, gehouen had — al die tobbende jaren had ze vreugdeloos, eenzaam, geduldig, opofferend gewerkt — bukkend voor de grillen en ziekelijkheden van ’n moeder, die ze nooit als moeder gekend had — en bij Lotte’s berekenend flegma geen intiemere aanraking vindend — nu, terwijl ’t gejacht der reizigers aan alle kanten om ’r heen was, nu, dan voor, dan achter, 't brullend gegrommel van ’n trein de ijzeren zuilen en steenen

249

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.