„Precies zooals u”, praatte-ie galant: „wil u de andere niet 'ns zien?” — hoeveel relaties had-ie op die manier niet aangeknoopt!
„Dank u”, antwoordde ze opnieuw en bitser, en met ’n „adieu, meneer” liet ze 'm staan.
„Voor die mot u voorzichtig wezen, meneer”, sprak de portier, die de trap afkomend, de laatste woorden gehoord had: „...da's uit 'n nest, dat niet deugt...”
„Heb *k je advies gevraagd?”, snauwde de huisheer 'm uit de hoogte toe...: „sinds wanneer sta jij af te luisteren?”
„Ik luister niet af”, verweerde 't skelet met den kalen knikker zich: „ik hou me oogen open... ’k Heb meneer van de week al gewaarschuwd, dat ’r bij Wolff, op de tweede verdieping, 'n meid dient, die elke veertien dagen naar de controle op ’t Polizeipräsidium mot — en op die daar, loeren de beambten... Meer zeg 'k niet...”
„Ach, je ben dol!”, zei de huisheer, de parterre-deur openend. „Zoo waarachtig als 'k nog honderd jaar oud hoop te worden”, fluisterde de portier: „Vrijdagavond was 'r een bij me...”
„Dan was die óók dol!”, lachte de huisheer, den keffenden Jenny voorzichtig op den looper strijkend, en zonder zich verder met dat soort gezwets in te laten, sloot-ie de deur.
Boven vond Duczi niemand thuis. Laurie en Lotte, door Ginzel, die vlugger dan zij twintig Mark van de beleende manicure-doos was komen aandragen, geholpen, waren met ’n Droschke de stad ingereden,, om voor de passen te zorgen. Des te beter. In 't keukentje bakte ze de overgebleven aardappels en de drie koteletten, en *n kwartier later, aten ze in volkomenste ontspanning voor 't open raam, bij de koffers en doozen.
Om tien uur, lang voor den tijd, alle drie stil en bedrukt, maar valsch-vroolijk, om 't mekaar niet te laten merken, wachtten ze op 't perron van ’t „Schlesischer Bahnhof.” 't Was voor ’t eerst, dat ze van mekaar af gingen. Laurie zat grauw-bleek van zenuwen op ’n bank, tusschen 't meegenomen valies van Mizzi — waren 'r op 't laatste oogenblik nog 'n onmisbare dingen, die de vol-getjokte Wertheim-koffers niet stouwen konden! — 'n bakbeest van 'n hoededoos en ’n karton met ft onherroepelijk laatste allegaartje. Tot zelfs de portretten van boven de sofa, vooral haar portretten als tragédienne, had ze, kort voor Ginzel met de meisjes de bagage omlaag droeg, als souvenirs, waar Odessa ’t niet buiten kon stellen, van den behangselwand gegrist. Verkleumd over fr lichaam, met steenkoude voeten, leunde ze met 't ellendig
248