„Graag”, knikte Duczi lachend: „anders kom-ie ’r niet door...” „Zeg dat wel”, glunderde hij: „meer as tien pond... En ’n koopje... Vier Mark tachtig... Dat wordt ’n kluif voor de heele week... Mahlzeit!”
Plotseling werd Laurie opvallend-dierbaar. Als Ginzel ’r zoo van leefde, als-ie op één morgen vijf en dertig Mark verteerde, verdiende-ie slordig geld, kon ze 't bij hem probeeren.
„Heeft u zoo’n haast, meneer Ginzel”, sprak ze honnig: „wil u geen kop koffie drinken?”
Daar dankte-ie beleefd voor. Een van de meiden uit 't „Vorder haus” had 'm gister 'r bij 't kammen langzaam-opgespaard haar — prachtig, goudblond haar, ongelooflijk lang — gebracht — dat had-ie gewasschen, in de zon op ’t balcon laten dragen, en dat moest nou behoorlijk geprepareerd worden.
„Ginzel”, nam mama met 'n bewonderenswaardige bravoure *r aanloop: „zou u in de gelegenheid zijn me voor een of twee dagen, hoogstens voor 'n week, ’n dertig, veertig Mark te leenen... U ziet, de koffers staan gepakt — alles is kant en klaar, maar op 't laatste oogenblik wordt m’n dochter Duczika met de betaling door 'r patroon gedupeerd... Was je 'r niet vanmorgen, Duczi?... Hoor je niet wat 'k vraag?”
Duczi knikte stug. Hoe kon, hoe dorst Laurie 't!
„Dertig, veertig Mark”, zei de barbier vreemd-onrustig: „nee, da's onmogelijk... 'k Heb alles wat ’k had bij mekaar geschraapt, om de manicure-doos te betalen, en nou zit 'k voor de eerste weken op zwart zaad...”
„Wat jammer, wat jammer”, klaagde Laurie: „Lotte heeft zoo'n pracht van 'n engagement in Odessa... We komen net 'n kleinigheid door onze twee passen te kort...
„Ach God, lieve Ginzel”, smeekte Lotte met 'n gezicht, of ze wou gaan huilen: „als we vanavond niet afreizen, heb 'k m’n contract verbroken en krijg ’k in de eerste jaren geen engagement meer! Toe, strijk je hand over je hart, als je 't maar eenigszins kan doen... Toe! Toe!”
Ginzel aarzelde. Met de vrije hand doorwoelde-ie z’n zak, of-ie *r iets zocht. Toen, zich onnoodig-druk verdedigend, verlegen met den deurknop scharrelend, zei-ie, dat-ie geen seconde zou aarzelen, als-ie 't had, dat-ie te lang buur van ze was geweest, en te veel vriendelijks van ze ondervonden had, als Grete zich niet lekker voelde, om ze zoo iets te weigeren, dat-ie ze voor twee uur, vóór-ie de doos en den varkenskop betaalde, nog had
245