trekkers? Lichten we iemand op?... Stuur ik je geen geld uit Odessa?... Heb ik jou noodig? Vallen Lotte en ik je voor iets lastig?... Hè?... Wat?... Da’s ’t toppunt!... Zoo’n beestige egoïst as jij mot 'r nog geboren worden!... Jij, jij...”
Ze bleef half in ’r woede, half in 't geluister naar 't snerpend electrisch schelletje van de voordeur luisteren.Bezoek?... Palou?... Mizzi...?
Lotte maakte open. Nee, ’t was Ginzel, de buurman van 't „Atelier für moderne Haararbeiten”, die net op dezen ongelegen tijd, met ’n allerkomiekst verzoek kwam. Z'n baard van 'n paar dagen verhaven de 't hoekig, mager, verlept gelaat met de uit-wiggende jukken en de diep-liggende oogen nog sterker — Tt hoofd op de gekromde schouders leek voor 't glanzen der zon terug te deinzen. Zoo schooierig en doorzichtig-bleek van ’t laat werken had-ie 'r nog nooit uitgezien, maar in zn waterig-dooie oogen was 'n glim van plezier en de mond met de groene tand-brokjes lachte.
„Als 'k niet stoor”, kwebbel-praatte-ie lichtschuw: „wou ’k de dames vragen of ze zoo vriendelijk willen wezen een van de drie, hier of bij me thuis, de nagels te laten behandelen...” Laurie antwoordde niet — Lotte keek verveeld om de stoornis 't raam uit — Duczi, ook niet in 'r Zondagsch humeur, stond ’m te woord.
„De nagels behandelen...?”, vroeg ze, 'm niet begrijpend. „Manicure...”, glimlachte de friseur, en 'r zwom ’n weelde-nimbus om z’n snoeke-kopje: ,,’k heb 'n manicure-doos gekocht, en 'k wou graag probeeren of *k 't niet verleerd ben... Heb 't in geen maanden en maanden gedaan...”
„Nou, Ginzel”, lachte Duczi — ach ach, zag de stumper ’r afgejakkerd uit! —: „als je me niet in m'n vleesch snijdt, wil ik morgen of overmorgen wel 'ns bij je komen, maar vandaag kunnen we niet... Moeder en Lotte hopen...” — dat „hopen” zuchtte ze letterlijk — „...hopen vannacht naar Rusland af te reizen...” „Vannacht al?”, zei de barbier, blij dat-ie door z’n belangstellende vraag de zon in z'n rug kreeg: „dat spijt me... Had me ’r zoo op gevlast de dames alle drie, om beurten, te manikuri-zeeren... Heb ’n pracht van n doos vanmorgen gekocht...Wacht, 'k zal 'r rns laten kijken...”
„Dat moet 'r nog bij komen!”, snauwde Laurie voor den spiegel: „me nagels!... Me nagels!... Dat je ook zoo stom ben den vent binnen te laten!”
243