Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



was, kwam toch niets — gehumeurd — de verpletterende down-heid van de anderen werkte aanstekelijk — dompte ze in ’r stoel.

Laurie gaf 't niet op — die begon eerst.

„Gedorie, da's je dank as moeder!... Daar ben je nacht en dag voor in touw, daar loop je met ’n gezwollen voeten, dat je je laarzen niet an kan trekken, en daar heeft zij ’n kouwe bereddering, of ze 'n dochter van den keizer is!... Doe ’t niet!... Verdraai ’t!... Denk an je zelf!... Dan gaan we niet, Lotte!... Dan blijven we hier!... ÏDan pakken we den boel weer uit!... Dan sturen we 'n telegram, dat je zuster ’n gekken kop heeft!... Bij God, ’t is om je op te vreten!...”

„Ga u dan naar Neumann of naar Krüger!”, zei Lotte, die alles passief onderging, maar geel-bleek van wrok om Duczika's onwil was..

't Verramponeerd Zwitsersch klokje met de verbogen wijzers sloeg in de vijandige stilte twaalf. Twaalf. Menschen met vissche-bloed zouen 'r dol bij geworden zijn.

„As jij dan te trotsch ben”, ruziede Laurie, 'r weer gedeeltelijk ontspannen hand uit ’t water heffend en ’r aan 't tafelkleed drogend: „doe ik 't! Das om niet te vergeten, hoor!... Of je 'r minder door wordt, om an iemand voor wie je zooveel jaren werkt, *n dienst te vragen! Ik ben niet bang voor ’n affront!... Ik schaam me niet voor m’n fatsoenlijke armoe!... Ik stel me niet an!”

Nerveus wriemelde ze de pen in 'r hoed, nerveus knoopte ze 'r blouse toe.

„Nou”, zei Duczika onverschillig, maar met ’n kleur van ingehouden opwinding: „je moet 't zelf weten!... Maar dan zou 'k liever de machine laten weghalen!... Ik zie geen kans 'n voorschot in te verdienen!... En ik sta ’r voor, als jullie in Rusland zijn!

„Jij staat *r voor! Jij!”, keef Laurie: „ik sta 'r voor! Ik sta voor alles!... Had mee gegaan!... Was niet dwars geweest!... ’t Dubbele hadden we gekregen!... 't Heele zoodje wou 'k opruimen!... Is 't niet, Lotte?... 'k Zou nog zeggen, dat ik je dwing hier te blijven!...”

„In elk geval”, praatte Duczi zwak — ze snakte 'r naar 't kijvend geluid niet meer te hooren, in de rust van 't kamertje alleen te zijn, zooals *t ’s nachts zoo heerlijk was —: „jij kan voorschot vragen, ik doe ’t niet! En dan moet jij maar zorgen, dat-ie 't terugkrijgt...”

„Wel allemachtigste God!”, raasde Laurie: „zijn we flesschen-

242

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.