’n vierde ergerlijke aanbieding van twaalf Mark vijftig minder. Voor ’t bloedgeld — twee en tachtig Mark vijftig!' voor 'n instrument met ’n zeldzaam-gaaf binnenwerk! — sloeg ze bij „Wertheim” twee keurige, fatsoenlijke, overgroote koffers in — ze wist bij ervaring hoe je op reis naar bagage getaxeerd werd! — kocht voor zichzelf 'n paar nieuwe laarzen — ze bliefde in Rusland niet op 'r tandvleesch te loopen — voor Lotte drie nieuwe hemden, drie nieuwe broeken en ’n toonbare schmink-doos — ach, ach, 't gekonkel en kwaadspreken in de kleedkamers, als je niet behoorlijk voor den dag kwam! — en toen ze eenmaal in de verlokkingen van 't Warenhuis spartelde, dee ze nog 'n hoop andere excessen — *n kam voor zichzelf, *n tooneelomslagdoek voor Lotte, 'n flesch odeur en 'n tandenborstel voor zichzelf, ’n waaier voor Lotte, twaalf zakdoekjes voor zichzelf, ’n paar overschoenen voor Lotte, 'n en-tout-cas voor zichzelf, 'n doos postpapier met de initiaal D, bij wijze van attentie voor Duczika — allemaal nuttige, onvoorwaardelijk-noodzakelijke ingredienten, die je bij „Wertheim" spot-goedkoop kreeg, bijna te geef, maar die, zonder dat je 't merkte, de piano met huid en haar verslonden.
Duczi, die den laatsten Zondag met hoofdpijn in 'r bed was gebleven, en eerst tegen den avond opstond, was erg dankbaar voor *t postpapier. Na de Ansichtkaarten en 't telegram van Erich uit Friedrichshagen, duidelijk genoeg verklarend waarom-ie niet kwam en 'r doorzichtig waarschuwend, dat-ie 'r den Dinsdag niet bij de trap van de Untergrundbahn kon opwachten, was ze weer de oude geworden, lachte ze opgewekt om de herrie in de kamer, om de koorts van de twee anderen — en 't briefje van Betty, met de voor haar heugelijke mededeeling, dat ze de leugenaarster tenminste 'n poosje kwijt was, stemde 'r tot uitgelatenheid. In *r onderlijfje, met bloote armen en naakte hals, achter de half-neerhangende tulle van ’t raam, om niet door den vischhandelaar beloerd en lastig gevallen te worden, hurtte ze bij de trapmachine. De warmte was zoo ontzettend-sloopend, dat ze 't anders niet uithield. Aan Erich schreef ze 't eerste velletje postpapier met 't aristocratisch initiaal. Ze condoleerde 'm voorzichtig met den dood van z’n oom, durfde niets èrg-hartelijks zeggen, omdat Laurie en Lotte ’r ook *n paar woorden onder wouen pennen. Maar toen die klaar waren, kon ze 't niet laten, moest ze 'r iets aan toevoegen — alleen voor haar en hem verstaanbaar. „Ik heb”, verzon ze met ’n de letters be-
237