kwam ze buiten. Ze had enkel ’r breeden stroohoed, die 'r haar door z’n witheid nog rosser kleurde, opgezet, liep zwijgend onder den crème parasol naast 'm.
„Heb je grooten eetlust?”, vroeg-ie zonder 'r aan te kijken.
„Heelemaal niet”, zei ze met weerzin.
„Heb je den tijd, om 'n kwartiertje mee om te rijden?”
„Al wou je den heelen dag”, praatte ze bedrukt: ,,’k kan ook wel verder wegblijven...”
„Wegblijven? Hoe kom je ’r op!”, viel-ie uit.
,,'k Hóéf vandaag niet meer terug”, loog ze.
„Dat treft... Dat 's leuk”, sprak-ie zwak.
Op 't plein stonden open auto’s en open Droschken. Die liepen ze voorbij, beiden met de gedachte, dat dat niet kon. Op den hoek van 'n zijstraat, sliep ’n koetsier van ’n gesloten Droschke, die bij dit weer nog niets te doen had gehad, op den bok — en ’t paard sliep.
„Rij ons door den Tiergarten”, zei Erich, den man wekkend.
Betty liet-ie in ’t broeiend-heet ding stappen, toen volgde hij. Zoolang 't rijtuig sjokkend door de straten glee, spraken ze geen woord. Hij rookte, zij rookte. Met de gezichten van mekaar af,
keken ze ieder door 'n raampje. En toen ze eindelijk in de
stoffig-groene lanen van den Tiergarten waren, leek 't zwijgen in ze vast geroest.
Eerst in de open ruimte van den „Crosser Stern” begon hij.
„Wil je heusch niet wat eten?”
Ze schudde 't hoofd.
„Wat 'n ontzaggelijk heet weer in de laatste dagen”, begon-ie opnieuw.
Ze antwoordde niet, verkneep de sigaret tusschen de vingers.
„Zeg-je niets?”
„Wat moet 'k zeggen?”, ontweek ze, dwaas-angstig.
„Christus!”, stoof-ie op: „moet ik alleen praten?”
Wrevelig, door zn doffe opwinding gehitst, niet wetend wat-ie dee, wat-ie 'r uitflapte, waarom-ie zoo geïrriteerd tegen juist haar tekeer ging, verzat-ie naar de vensterzij toe, maar dadelijk weer, kleintjes en weifelend, klepte-ie 't bankje over 'r neer, wrong zich 'r op, de knieën dicht bij de hare, en 'r warme handen in zijn steenkoude nemend, nam-ie 'n aanloop om "t goed te maken.
„...Ik ben — dat snap je misschien — niewaar?... — niewaar, Betty?... — ik ben door 'n hoop beroerde dingen overstuur —
234