„Aan jou...”
„Waarom?”, vroeg-ie verwonderd.
„Nou, zoo maar — dat *s toch geen misdaad...”
„Nee, dat ’s zeker geen misdaad...”
Voor de tweede maal vertrokken z’n wangen en z'n mond, als die van *n zenuwlijder.
„*k Had je 'n brief willen schrijven...”
„Waarom?... Waarover?...”
„Over, over”, hakkelde ze, de oogen vol tranen: „...over de paar woorden, die 'k met merkinkt...”
„Wat zwets je! Wat wil je, bedoel je?”, viel-ie met zoo'n verbeten woede uit, dat ze ’r bij achteruit week.
„Ik bedoel...”, begon ze, maar ’t kittig rayonchefje, dat Erich straks al betrapt had, kwam tusschenbeiden. Met ’n ironie, waartegen Erich in gewone omstandigheden onmalsch geprotesteerd zou hebben, maar waarbij-ie nu machteloos was, vroeg 't bewegelijk mannetje of meneer al z’n keus in onderlijfjes gedaan had, en toen Erich met 'n houdingloos „Adieu!” Betty verliet, gaf-ie Betty in 't bijzijn van de andere meisjes zoo'n afhap, dat 'r kleur nog rooder dan r haar werd.
Slap, kapot drentelde Erich voorbij de aanschimmende étalages van dameshoeden, dameskammen, tafelkleeden, zijden kousen, geborduurde zakdoeken, hemden, pantalons en de eindelooze reeks opruim-blouses, die voor ’n appel en ’n ei geprijsd stonden, nu ’t seizoen haast voorbij was. Ergens — boven of benee — kocht-ie rouwhandschoenen — ergens, ’n witte das — ergens ’n knoopje voor z’n boord, dat-ie niet noodig had. Toen, schuw naar de plek met *t bord: „Untertaillen besonders preiswert” terug-schuifelend, zei-ie kort en gejaagd tot Betty, die ’m niet had zien aankomen:
„Eten we samen?”
„Graag”, antwoordde ze even snel, even gehaast.
„Hoe laat ben je vrij?”
„Half twee...”
Hij noemde ’r den naam van ’n restaurant in de buurt — ze knikte.
Maar in z’n onrust, kön-ie ’r daar niet wachten. In de felle zon voor ’t „Kaufhaus”, bij de deur met ’t opschrift „Verboden toegang”, die voor de employés bestemd was, ouwergewoonte de eene sigaret na de andere rookend, bleef-ie op en neer wandelen, ’n Paar minuten na ’t slaan van de klok, een van de eersten,
233