Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



toeschietelijk genoeg van aard, om in ’t wilde praatjes te maken. Naast de glimmende rekken met de opschriften „Grosse 42”, „Grosse 44”, „Grosse 46”, geprikkeld omdat 't rayonchefje meer attentie voor den detective van ’t Kaufhaus dan voor haar had, verkankerde ze zich tot 't goddank ontbijttijd werd. In de Kantine, ’r plekje aan de lange tafels beleggend, bekwam ze, begon ze 'n brief aan Erich, waarin ze 'm schreef over de ontdekking, de duizend Mark en 'r voornemen, om zonder z’n tegenbericht, morgen bij de politie aan te loopen. Halfwege verscheurde ze ’t velletje weer. Zoo kon-ie niet verzonden worden. Ze had moeten beginnen ’m met den dood van z’n oom te condoleeren, Laurie en Duczi zouen 't ook doen... En dan ze vertikte ’t, door ’m in presentie van de anderen uitgelachen te worden, als-ie haar knoop nog had! Kleine hapjes van ’n boterham met ham nemend — de Kantine was ’n heerlijkheid, als je van kwart over acht af bezig was — zag ze den jongen student in elk van z’n bewegingen voor zich — ’t frisch-fleurig gezicht, de heldere grijze oogen, die soms enkel pupil hadden — ’t beeldig-kleine vlassnorretje — de leuke meisjeshanden — de gelijke, witte tandjes, als-ie lachte of een van z’n onbeschaamdheden beweerde — de bloedroode wangen, wanneer-ie zich opwond en waarop ze ’m ’n tik had gegeven, toen-ie ’r dien avond bij ’t geworstel om ’t geld, zeer dee — zn zij-ig blond haar... Blond... Blond... Bij ’t laatste stutte ze in schrik op. Blond haar èn de manchetknoop... Verbeel je!... Ze was niet wijs... Erich, precies Erich, ergens inbreken, iemand tegen ’t achterhoofd slaan en met dikke twaalfhonderd Mark verdwijnen... Hoe kon je ’r ziekelijk op los fantaseer en!... Mal hoor!... Maar als-ie nou toch... Hij had toch ook — waarachtig, waarachtig, ’t was geen inbeelding — dat hoorde ze ’m nog zoo met z’n grappige schelle stem zeggen, hij had bij ’n jood geld geleend — schimpte altijd op joden—en zou den woekeraar, die ’r ’m in had laten vliegen wel z’n nek kunnen omdraaien — gut, jakkes, was ’t misselijk an zulken onzin te denken... Erich, die op Friedrichshagen zat — dat kon ze getuigen — die gistermorgen ’n Ansicht... Duizend tegen een had-ie den knoop aan z'n vriend Poldi gegeven... Droegen ze niet alles van mekaar?... Mekaar’s boorden, manchetten, zakdoeken en dassen?...

’t Kantine-schelletje waarschuwde. De schouders om ’r nonsens ophalend, ging ze weer aan 'r werk, verkocht in een zet vijf onderlijfjes — en zag ’m — zelf — persoonlijk — voor ’t eerst zoolang ze verkoopster was, in ’t Kaufhaus — niet op Friedrichs-

231

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.