Erich was, dat ze dien avond in 't keukentje ook op den anderen knoop iets had willen tatoueeren, en dat Duczi r gestoord had... Wat typisch, wat typisch!... Dat zou 't grootste toeval van de wereld zijn als ’n ander op dezelfde manier... Dan moest Erich
— gut, gut, wat ’n angstig toeval! — den knoop of verloren hebben, öf aan 'n ander geschonken, öf z’n vriend Poldi... Hij zelf was 2/ondagmorgen al heel vroeg naar z’n jarigen oom in Friedrichshagen gegaan — zóó uit ’r bed gesprongen, met ’r haar nog niet eens opgemaakt en ’n openhangende blouse, had ze ’m den huissleutel gegeven, en den boodschap lekker niet, om Duczi den smoor in te jagen, overgebracht — Zondag was-ie op Friedrichshagen gebleven — gister, Maandag, had-ie ’n Ansicht en n telegram gestuurd — hij was niet in Berlijn geweest... Als-ie den knoop nog had — maar dat kon haast niet
— ’t was zoo zeker als tweemaal twee vier haar B! — was ’t zoo iets typisch, als je ’t nog nooit had beleefd — had-ie ’m niet meer, dan verdiende-ie, zonder ’r moeite voor te doen, aan die akelige historie duizend Mark — duizend...
„Gut, gut”, zei ze dien morgen aan een van ’r vriendinnen in de „Garderobe” in 't sousterrain: ,„...’r is ’n moord gebeurd, en 'k zou ’r op durven zweren, dat ’k de politie inlichtingen kan geven...” Meer babbelde ze niet. Je kon niet weten. Als ze zich vergiste, haalde ze nonsens uit — als ze zich niet vergiste, moest ze zoo leep zijn ’r mond te houen tot ze met Erich gesproken had... Omdat ’n verkoopster in de afdeeling van de „Damenwäsche” ziek was geworden, moest zij als handige, betrouwbare, door den chef geprotegeerde collega in ’n rayon, waar ze anders nooit kwam, inspringen. Niettegenstaande ’t bordje „Untertaillen besonders preiswert” had ze in de ochtenduren bijna niets te doen, hield ze zich, telkens zenuwachtig-geeuwend — de vreemde geschiedenis had ’r nerveus gemaakt — met ’t verhangen, beter arrangeeren van de duurdere onderlijfjes bezig. De „koopjes” lei ze op ’n slordigen hoop, die met kanten en garneersel hechtte ze aan de nikkelen stangen. Ze dee ’t ook om de aandacht van den snoes van ’n nieuw kittig rayonchefje, dat zich bespottelijk op ’n afstand van ’t damespersoneel hield, en 'n paar schatten van oogen had, te trekken — en om de zieke juffrouw, als ze morgen weer op ’t appèl was, met ’n ondersteboven gesmeten étalagetafel de dampen aan te doen. Toen 'r niets meer te verschikken viel, verveelde ze zich gloeiend. Niemand van de schaapskoppen hier kende ze. En ze was niet
230