op een van de andere verdiepingen, in 'n ander rayon, in de afdeeling van de dames-confectie of in die van de „Damen-wasche”. Ze waren met over de twaalf honderd, enkel vrouwen. Hoe kon je daarvan de namen onthouen? En dan om dezen tijd, tusschen negen en elf, wisselde telkens 'n deel van de dames, om in de Kantine te ontbijten. Als-ie zeker wist, dat die juffrouw blouses verkocht, was ze mogelijk in de Kantine, in 't sousterrain, of ze maakte zich klaar om te gaan middageten — dat wisselde ook van elf tot vier... ’n Wantrouwig rayonchef, die fr zich al over verbaasd had, dat zoo’n jonge kerel in de blousen-afdeeling zoo lang met 'n lachende verkoopster babbelde, belette 't verder gesprek, ’t Niet opgevend, met 'n zenuwachtige hardnekkigheid, zocht Erich den „Zwischenstock” en de eerste verdieping af. Als ze weg was om te eten, dee ze 't — dat had-ie *r meer dan eens hooren vertellen — in een van de „Pensionaten” in de buurt van 't „Kaufhaus”, die 'r goedkoope „Mittagstische” op na hielden. Maar waar? Christus, Christus, de pech! onderweg kocht ze de „B.Z.”, las de verdoemenis van den manchetknoop nog ns... Als-ie 'r niet trof, was-ie, kon-ie verloren zijn — maakte-ie zich van kant. Levend liet-ie zich niet opbrengen...
In de met elke minuut stijgende levendigheid van 't „Kauf-haus”, waar 't bij de liften naar de afdeeling-van-de-levens-middelen storm liep, waar 't bij sommige artikelen zoo'n gedrang werd, dat je niet verder kon, wraar enkele electrische kronen tegen 't weifelend daglicht in brandden, waar ’n piano ergens 'r versleten-getemperd geluid langs de reuze-stapeling der goederen stuwde, waar duizende voetstappen door den veerenden weerstand van loopers en tapijten in donzende dreuning ver-glejen, waar niemand scheen te praten en 'n toch nooit ophoudend, nooit inzinkend stemmengeroes tot van de verste gaanderijen aanluwde, waar 'n schril kindertrompetje tegen 't fluiten en rouleeren van door de herrie op dreef geraakte vogels in-toeterde, waar n zoetige geur van kruiden, zeep en odeuren bij de étalages dreef, waar de draaideuren wiekten,, de ventilatoren snorden, de blaren der palmen bij de trappen door de zuiging der menschenmenigte zachtekens schommelden, waar 'n frou-frou van rokken eindeloos ruchtte, waar de contröle-schelletjes van de betaalkassen tinkelden en ze queue maakten om de pakjes in ontvangst te nemen — in dat nijver voortjagen van lieden, die allen gehaast schenen, van dames met kinderen
228