loopen zingen... Duczi, als beeld van 'n wijfje, in je huis, aan je tafel, in je bed... Dat laatste zou-ie voor 'n week niet gedacht hebben, zou-ie als 'n ontheiliging van z’n genegenheid hebben beschouwd — nou wären ze man en vrouw... Ze droeg zijn ring, haha!...
Met de kleine halters van oom Ludwig oefende-ie zich ’n poosje in hemdsmouwen in 't omheinde vak, waarin de overledene dagelijks z’n zonne- of luchtbad genomen had, en om den tijd te dooden schepte-ie ’t water uit de boot met de handige houten puts. De hemel was hel-blauw, enkel-blauw — de zon klaterde goud in ’t water — de kinderen der buren speelden dat 't gelach niet van de lucht was... kostelijk, kostelijk, ’t leven!
Bij half negen ging juffrouw Treibitz inkoopen voor de te wachten familie doen. Ze vroeg Erich wat 'r moest wezen.
„Königsberger Klops!", lachte-ie spottend: „voor ieder twee dikke ballen, Auto 9999!"
„Ik wou dat ik uw jaren en uw gezondheid had", zei ze goedig: „hoe kan men onder deze omstandigheden..."
„Doe me ’t genoegen, Treibitz", zei-ie afwerend: „klagen en gelogen tranen, krijg je straks meer dan je lief zal zijn te hooren en te zien... Dat ligt niet in mijn natuur..."
Tot aan de deur liep-ie met r mee, bukte zich — de post, de krant.
En in 'n hartstocht van aandacht las-ie, trillend, regels overslaand, her-lezend — krijtwit.
’t Stond ’r. Op ’t binnenblad. Met vette letters boven aan. En gelogen... RAUBMORD IM S T U D E N T E N VIERTEL... Die Polizei auf der Spur des Mörders...
Duizelig, niet in staat de anderhalve kolom te volgen, zette-ie zich in oom Ludwig’s stoel... Raubmord... Raubmord... Christus, de ploerten... Z'n hart hamerde zoo, dat-ie in zonderlinge schudding heen-en-weer bewoog en ’t papier niet stil kon houden. Raubmord... Raubmord... Hoe kwamen ze op ’t verzinsel!... Maar je verdomde, slappe zenuwen bedwingen!... Sekuur, zonder 'n syllabe te verwaarloozen, of ’t je niet persoonlijk anging, lezen — vóór Treibitz met de boodschappen terug was!... De letters schemerden, ratelden voor z'n oogen, zwalkten weg, joelden weer aan... Semmy Lubinsky... Semmy Lubinsky... ’n „Geldbriefträger", die ’s middags vier uur ’n aangeteekenden brief met geldswaarde had af te geven... Met 'n scherp voorwerp tegen het achterhoofd geslagen en gewurgd...
224