— zoo-iets dwaas als 'n Gericht — waren 'r daar ginder, achter *t web van sterren en hemel, achter de vaal-blauwe, violette en rossige drij vingen, drie mensche-zielen bij gekomen — de ziel van *n meisje — de ziel van ’n beest — de ziel van den broer van z’n vader.Met 'nglimlach kon-ie 'rover peinzen. Zn oogen hoefde-ie niet neer te slaan. Voor niemand. Zeker niet voor God — als-ie ’r was...
Meester van zichzelf en met de sensatie, dat als-ie nog ’n paar dagen bleef, de nachtmerrie zonder ’n spoor na te laten, zou verdwijnen, ging-ie naar de tuinkamer, waar juffrouw Treibitz 't licht op had gestoken, terug. De avondkrant lag onder de lamp. Over de huishoudster zittend, las-ie, zocht-ie zonder opwinding. Niets. Vreemd, dat wat om een uur ’s middags gebeurde...
Om tien uur, druk-fluisterend van angst, dat ze naast de sterfkamer moest slapen, en ’r kamerdeur hoorbaar afsluitend, liet Treibitz 'm alleen. Zóó walgelijk-vroeg kon hij niet. Hij zou sluiten en de honden uitlaten...
Bij 'n versch-gestopte pijp bleef-ie dommelen, de tuindeuren wijd-open. De ongewone stilte maakte *m triestig, op *t sentimen-teele af. Nog nooit had-ie hier zoo behagelijk-tevreden gezeten, nog nooit zoo’n verzoenenden kijk op den gestorvene gehad. Tegen ’t behang, met ’n licht-rozet 'r boven, hing 't vergeelde, nog duidelijk herkenbare portret van hem en haar — oom en tante — in den engagementstijd. Zij, ’n slank meisje, met ’n vriendelijk gezichtje — hij, n schrale, jonge man in soldatenpak. Kleine suikerbakker toen, was *t z’n trots geweest, zich in uniform te laten photographeeren. Wat moest-ie van 'r gehouen hebben, zielsveel en buitengewoon, om na 'r vroegen dood zoo eenzelvig, zich alles ontzeggend, nooit klagend en nooit over *t verleden pratend, te blijven leven. Wat ’n wilskracht, soberheid en zelfbeheersching... Wat 'n in den grond fatsoenlijk type... Wat ’n mannelijke oerkracht en Tn vrouwelijk-verliefd zijn op kamervoorwerpjes en snuisterij en... Dat Japansche koopmannetje had zoolang-ie zich herinnerde tusschen de groepeering van n porcelein hondje, 'n miniatuur-bronsje, 'n gesmeed zilveren stoeltje, n antieke snuifdoos en n vergulde bonbonnière, die tante in haar tijd gedragen had, en dat alles in denzelfden, nooit wisselenden stand, op de étagère bij de deur gestaan. Ieder dingske, elk pulletje was voor den doode ’n souvenir, ’n zaak van genegenheid geweest. Den inktkoker met den dogge-kop, had-ie van de suikerfabriek meegebracht. Die werd rechts door *n ivoren
217