kwamen halen — ’t had geen intresse voor ’m — als ze 'm maar lieten slapen.
„Wat scheelt u? Wat is ’r?”, vroeg juffrouw Treibitz, ongerust om z’n bleek-mager gezicht, toen ze de deur opende: „en, en, wat heeft u aan uw hals...?”
,,’k Voel me niet lekker... 'k Moet even gaan liggen...”, sprak-ie dof-ontwijkend.
Op de sofa in de tuinkamer, ’t hoofd op den antimakassar, waarop oom Ludwig jaren z’n middagdutje had gedaan, sliep-ie voor de derde maal dien dag kreunend in. Juffrouw Treibitz, die de deur aan liet staan, ongemakkelijk als ze de stilte van ’t huis aanvaardde, begreep ’m niet, herkende ’m niet, schreef z’n houding aan chagrijn en kwaad geweten toe. Góéd, hartelijk voor z’n oom was-ie nooit geweest, zoolang zij over den vloer van de villa D a h e i m kwam.
Om acht uur wekte ze ’m voor ’t avondeten. Hongerig, omdat ze nog letterlijk geen hap had genoten, sinds ’r schrik bij ’t enkel blaffen van de honden, toen ze meneer had willen wakker maken, at ze gretig en met smaak van ’t menu, dat de heer Ludwig Schüler nooit zou hebben goedgekeurd, als-ie met z’n spaarzamen blik had kunnen controleeren. Of door 'r gepraat in den kruidenierswinkel over ’t noodlottige nieuws in de war geraakt, of alweer dadelijk op den losbandigen weg van vrouw, die ’r beste culinaire hoedanigheden onwaardig-lang had moeten onderdrukken, had ze ’n dingen ingeslagen, waarvoor ’t huishoudboek nauwelijks vakken bevatte, en bij 't pondje kalfsborsten keurige sla van komkommers, tomaten, stukjes augurk en schijfjes harde eieren bereid, als ’r nog nooit op de bijna vegetarische tafel van D a h e i m had gestaan. Ook Erich at als ’n wolf. Van af dat-ie in den „Zum strammen Hund” z’n middageten in den steek had gelaten, was-ie op bier en koffie blijven teeren.
„Ik was zoo beroerd”, zei-ie, ’t laatste restant vleesch deelend: „dat ’k vandaag driemaal als ’n zoutzak heb liggen slapen...” „Da’s de warmte,” zei juffrouw Treibitz: „de warmte en de schrik... Ik had ook wel in m’n bed kunnen kruipen — en ’k kikte als ’k eten zag...”
Ze ruimde ordelijk af voor de kaas en ’t fruit, smeerde zich zelf ’n boterham — ook voor ’t eerst sinds jaren — oom dee die principieele dingen persoonlijk — ze nam ’n waarlijk ongemanierd brok kaas — nog onwelvoegelijker dan Erich ’t gister
215