gelaat versmalden, hield-ie z’n adem bij 'tkijkennaardendoodein.
Buiten tjilpten de vogels, suizelde de wieging van takken en blaren, dook ’t gerucht der zware, gedragen, gelijkmatige stilte van de Mügelsee. De zon drong tegen de stores, kabbelde dei-ninkjes van licht en schaduw op de gordijnfranje, doorpurperde 'n roode baan van ’t tapijt. Bij den aanlegsteiger van de „Stern-dampfer”, in de buurt van den tuin, liet ’n boot ’r stoom uit. Toen werd ’t weer de groote, zwaarmoedige, onpeilbare rust.
„Wat ’n mooie dooie” snikte juffrouw Treibitz ineens hard-op: „hoe-ie leit of-ie wakker zal worden...”
Erich sloot de deur. Benee, in de tuinkamer, stak-ie gejaagd 'n sigaret op, liep-ie op en neer, op en neer, van ’t bureau naar de étagère, tot de huishoudster koffie binnen bracht. Ja, hij zou vannacht hier blijven, tante Toni ’n telegram sturen, de maatregelen treffen, die ’r genomen moesten worden. Op de vragen en antwoorden van de ouwe juffrouw, die te nerveus was, om alleen in de keuken te blijven, repliceerde-ie afgetrokken, verward, met z’n gedachten bij andere dingen. Ze had ’m de sleutels gegeven, de sleutels van 't huis, de safe bij de bank, de ingemetselde brandkluis van de slaapkamer, ’t bureau-ministre. Een la van de schrijftafel opende-ie haperend, zag ’t huishoudboek, sloot 'r weer. ’t Leek unfair, terwijl ’t lichaam nog boven aarde was. De klagend-jenkende honden, door Treibitz vergeten, gaf-ie ’n portie kaak — de kakelend langs ’t hek van den ren trippelende kippen voorzag-ie van voer. En na ’n poos in de wherrie te hebben zitten tobben, zonder fut, met nieuwe be-sluipingen van ziekelijken slaap — de warmte alleen dee ’t niet — wandelde-ie den straatweg langs, om aan tante Toni te telegra-feeren. Ook Poldi en Laurie zond-ie n telegram: „in aansluiting aan mijn kaart van heden morgen vroegtijdig: oom overleden”. Zoo. Nu klopte alles. En wanneer ’t niet klopte, raakte ’t z’n kouwe kleeren niet. Hij voelde zich afschuwelijk afgemat en onverschillig, ’t Weten, dat-ie door oom’s dood vermoedelijk onafhankelijk was geworden, zelfs ’t pogen Duczi’s in ’n nevel van vermoeidheid verwaasd gezichtje terug te vinden, frischte *m niet op. Hij was bek-af. Elke stap woog. Hij dacht aan den kerel, dien-ie voor goed tegen den grond had geslagen, aan *t lichaam met den handdoek over ’t hoofd, in dat stoffig kantoor drie-hoog, bij de „Stadtbahn”, ergens in 't reuze-Berlijn, waarvan je hier geen geluid vernam -— ’t ontroerde, doorschokte, deerde ’m niet. Of ze m straks, of morgen, of heelemaal niet
214