Duczika

Titel
Duczika

Jaar
1912

Druk
1926

Overig
4ed

Pagina's
315



dikke tien minuten in ’t keukentje van ’r zelf gelegen. De tuinman had 'r met azijn bij gemaakt. Toen de dokter kwam, waren ’r beenen nog zoo verlamd, dat ze de trap niet op kon. Ach, ach, ’t was hard, denzelfden nacht dat-ie vier-en-zestig geworden was — en zoo monter en vroolijk voor zijn doen... Al z’n leven was de angst — hoe lijkwit had-ie ’r niet uitgezien! — bij 't schrikkelijk lang uitblijven van de boot — dachten ze niet allemaal, dat 'r bij ’t noodweer ’n ongeluk was gebeurd? — 'm om ’t hart, dat nooit goed in orde was geweest, geslagen... Om elf uur, toen ze 'r positieven terug had, had ze aan de familie gedacht en aan Erich geseind, omdat ze 't adres van tante Toni niet wist. En, Goddank, dat-ie zoo gauw was gekomen. Ze had niet ineens durven telegrafeeren, dat ’t ergste gebeurd was...

,/k Zat te werken”, loog-ie — hij móést ’t — boven z'n hersens liet de schaduw niet los — hij kon niet anders beweren —: ,,../k was m’n kamer nog niet uit geweest, toen de telegrambesteller kwam... Aan dat, aan dat onverwachte, heb Tk geen moment gedacht... ’t Is vreeselijk, niet te gelooven...”

„Wil u 'm zien?”, fluister-praatte de huishoudster.

Daar zei-ie geen nee op — daar knikte-ie onderworpen ja bij.

Achter r aan liep-ie de trap met den netten looper en de koperen roeden op — laf en zwak bleef-ie in de deuropening staan.

Eerst Wanda Stief op de verbrijzelde spijlen van Tt rooster — toen 't kanalje achter den lessenaar — nu, in den schemer bij ’t neergelaten gordijn en de zonnestores, 't geel-bleek gelaat van den man, dien-ie dikwijls gehaat had, gehaat met de vlammende onstuimigheid van 'n jonge, andere, nieuwe generatie — die ’n „zuiver-zakelijke relatie” voor ’m geweest was — maar wiens hartelijk „waarom ’k van jou méér dan van de anderen bij mekaar hou...” 'm nog in de ooren klonk.

Vroeger, met de zekerheid van den medischen student, die eindeloos dikwijls voor de sectietafel had staan prepareeren, zou-ie naar ’t sterfbed toe zijn gegaan en allicht 'n koude hand in de zijne hebben genomen.Was ’m op dat oogenblik onmogelijk. Half in de gang, half in de deuropening, met dezelfde klein-domme benepenheid van de duizenden, waarmee-ie met Poldi pleegde te spotten — was 'r iets heiligs, plechtigs, indrukwekkends aan *t „ontzielde lichaam van 'n kruidenier, wiens rijke en schoone ziel, tijdens z’n leven, je niet dat interesseerde? — met dezelfde grutterige aarzelingen die juffrouw Treibitz’ angstig

213

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.