Ze knikte, de oogen in smart verknepen, vertelde *m hortend, terwijl ze 'm naar de tuinkamer voorging, hoe ze geen gehoor bij 'r kloppen gekregen had, hoe enkel de honden woest tekeer waren gegaan, hoe de smid de slaapkamerdeur met de buitengewone sloten en grendels niet open had kunnen steken, hoe ze met levensgevaar door den tuinman en den smid geholpen, over ’n dubbel stel ladders door 't raam binnen was geklommen — de honden zouden ieder ander vermoord hebben — hoe ze 'm gevonden had, zonder teeken van leven, met open oogen, of-ie pas wakker geworden was...
„Is de dokter gehaald?”, vroeg Erich zenuwtrekkend voor zich uit starend. Zoo benauwend-vol woelde de koorts van den dag in *m na, dat z’n eerste gedachten bij de pas verzonden Ansichtkaarten — met de onjuiste, niet kloppende mededeeling, waren.
„Natuurlijk”, praatte de huishoudster snikkend: „niks an te doen... Was al 'n paar uur gestorven... En dat 'k 'r niks van gemerkt heb, terwijl ’k, als-ie maar effen klopte, bij de hand was... As-ie één woord had gezeid... As 'k z'n stem maar 'n oogenblik had gehoord..."
,,'t Is beroerd”, zei Erich, niet in staat *r iets hartelijkers uit te brengen — hij had niet van z'n oom gehouden — te dikwijls had-ie met Poldi met cynische minachting over 't mannetje, dat-ie gedwongen opzocht, gesproken — maar, in dezelfde tuinkamer, bijna op 't zelfde uur, was-ie gister met ’m samen geweest, waren 'r woorden over de sigaretten, de nieuwe das, den ring, gevallen... 't Waterglas met de anjelieren, dat voor den verjaardag op de ontbijttafel had gestaan, leek op ’t binnenkomen van 't mager heertje met den blonden vlassnor, de frissche gelaatskleur, den licht-paarsen neus, de zinnelijk-platte lippen, te wachten... Op 't ouwerwetsch bureau-ministre lei de post van den vroegmorgen. De pul van de afgescheurde postzegels gaapte. Aan den regel-matigen stand der dingen, door oom Ludwig geordend, door oom’s handen verzet en geschikt, was niets veranderd. Je meende 'm op de grintpaden te zien bukken, om afgewaaide blaren en afval te rakelen... God, was *t beangstigend-vreemd, dwong 't je stem tot killig gefluister...
Juffrouw Treibitz, op ’n stoel bij de deur, rr gewoonte-plek in de kamer met 't bureau, vertelde verder. Na de akeligheid met de ladders, 't als n dief bij 'n dooie binnenklauteren, 't Hector, den ongezeggelijksten Newfoundlander, die niet van oom’s bed af wou, met kracht en geweld aan den ketting leggen, had ze
212