die van Wanda Stief geweest — hij krabbelde niet terug — vervloekte 't...
In de keuken kleedde-ie zich uit, spiernaakt, liet 't water over z’n boddie plassen, verschoonde zich, poetste z'n stoffige schoenen, knipte 'n ingescheurden nagel, lei 'n lapje om den met amonia behandelden duim, werkte met de schaar 't haar aan de slapen bij, en met 'n sigaret tusschen de lippen, ontslootte de voordeur. 'n Papier ritselde mee. Christus, 'n telegram!... Had de telegrambesteller zoo staan luiden!...
Terug in de voorkamer, even popelend — begreep niet wie 'm te telegrapheeren had! — dan schouderschokkend, las-ie de dépêche van juffrouw Treibitz uit Friedrichshagen: „oom Ludwig ongesteld overkomst gewenscht”.
„Wat haalt Auto 9999 voor nonsens uit!”, praatte-ie hardop: ,als~ie ongesteld is, zal-ie wel weer beter worden!... Denk 'r niet an! Valt me niet in!... Dat moet 'r bij komen!...”
Hij kende oom en z'n neurasthenische angstjes voor den dood. Verleden jaar was #t van 't zelfde laken 'n malloot pak geweest, was-ie ook hals-over-kop naar de Mügelsee afgereisd, om oom niet eens thuis te vinden. Van uit 't restaurant zou-ie 'n briefkaart schrijven, dat-ie aanstaanden Zondag over zou wippen — Christus, waren ze niet pas gister héérlijk-huiselijk samen geweest?
’t Bierhuis, waar-ie dikwijls placht te eten, liep-ie voorbij. Daar was 't nu vol van Kouleur-studenten, wier gezwam ie niet hebben kon. Liever geen belabberde ontmoetingen. De „Strammer Hund” was 'n idee. In geen jaren was-ie 'r om dezen tijd van den dag geweest... Dan maar 'n eindje verder — en ongestoord. Omkijkend — en om dat reflex gebaar vloekend, 't kwam 'r wat op an, of iemand 'm zag! — stapte-ie de keldertrap af, zette zich aan 'n tafel, waaraan ’n matroos van de „Unterseeboot-Abteilung” — in die warmte — n portie zuurkool met „Eisbein” zat te laden, en bestelde, 'r Was haast geen stoel meer vrij. Chauffeurs, Droschkekoetsiers, kantoorloopers, tramconducteurs, ’t gewone publiek was 'r — gelukkig geen studenten die-ie kende. Boven, door de kelderraampjes, kreunde 't rumoer van de Chausseestrasse — benee, bij ’t buffet en in de achterkamer, watelde 't gewrijf der stemmen. Omdat de matroos 'm lachend aankeek, lachte-ie werom, maar toen de man 'm vroeg of-ie met z'n meid ruzie gehad had, omdat de vijf nagels van 'r hand in z'n keel stonden, ver-zat-ie gejaagd, stramde-ie de hals tegen
14 209