den woesten driftaanval, de sloopende warmte imbeciel geweest. Nu kon-ie wikken, wegen, besluiten. Hij had — dat had-ie... De jood Semmy Lubinsky lei achter den lessenaar van Nathan Stief. Die zou hem en anderen niet langer tyraniseeren. Die had ’n meisje van zeventien, achttien, ’n kind dat zich niet had durven verzetten, in den dood gedreven. Je hoefde ’r niet aan te twijfelen. Geen seconde. Die had George zoo vuil beleedigd, dat je bloed nog kookte, als je ’r aan dacht. Die adder had-ie, als zoon, ’n pak rammel gegeven. En was in z’n opgewondenheid te ver gegaan. Te ver?... Dat zat nog. ’n Serpent vertrapte je onder je hakken, 'n Dollen hond schoot je neer — zonder wroeging. Niet zóóveel, maar ook niet zóóveel spijt voelde-ie na. ’r Was ’n beest minder op de wereld. Een, die eerder onschadelijk gemaakt had moeten worden. En die nu, goddank, onschadelijk was. Geen tweede zou zich zoo hebben ingehouden. Als-ie ’r nóg voor stond, zou-ie ’t kanalje, den oplichter, die ’m ’n accept voor ’t dubbele af had genomen, die ’m, eind van den vorigen winter, toen-ie de eerste maal met ’t betalen van de woekerrente in gebreke bleef, als ’n gunst toe had gestaan ’n schuldbekentenis van vijfhonderd Mark méér te teekenen, die 'm bij iedere gelegenheid om de woordkeus van de akte, waaraan hij part noch deel had, met den officier van justitie dreigde, die ’m de laatste anderhalf jaar vergalde, ’m tot in z’n slaap toe vervolgde en ’m geen minne insinuatie, geen scheldwoord, geen beleediging had gespaard — raker, hartstochtelijker de kracht van z’n vuisten hebben laten voelen! Ze mochten ’m op slag, vandaag, morgen, overmorgen arresteeren, ’m aan de Rechtbank in handen spelen — zich zelf aangeven, haha!: eer slikte-ie ’n dozijn sublimaat-pastilles! —: ze mochten ’m levenslang geven — geen sterveling zou ’t ’m insmoezen dat-ie iets had gedaan, waarvoor-ie z’n rug had te buigen, waarvoor-ie berouw — berouw, haha! — oog om oog, tand om tand! — had te voelen...
De tabakspijp met ’t geweld van z’n tanden stuk bijtend, kwaadaardigde-ie de rookbuilen van zich af. Hij ging zich opknappen en eten. Hij had honger. Stupiede, laffe, karakterlooze „misdadigers”, slampampers, die bang voor d’r daad waren, die zich te „verwijten” hadden, liepen „vroeg of laat” in den val. Hij niet, nooit, ’t Werd ’n zaak tusschen hem en z’n geweten. Geen derde had 'r mee noodig. En geen derde mengde-ie ’r in. Haar ook niet. Haar ’t allerlaatst. De fout was dat je ’n deelgenoot nam, die je verraadde. Nee. Hij was z’n eigen rechter en
208